Al te vaak wordt ervan uitgegaan dat een vennootschap kan dienen als een soort ‘schaduwvloot’ om claims die u oploopt in uw privésfeer af te houden. Er worden dan nauwelijks uitkeringen gedaan richting het privévermogen van de bestuurder/aandeelhouder en alles blijft opgepot in de vennootschap.
Met een arrest van 21 oktober 2025 bevestigde het Hof van Cassatie nog dat dit zelfs een bedrieglijk bewerken van onvermogen kan inhouden in de zin van art. 490bis Strafwetboek. Volgens Cassatie kan bedrieglijk onvermogen immers ook het bedrieglijk tegengaan van de aangroei van vermogen betreffen, door enkel een beperkte verloning uit te keren die niet in redelijke verhouding staat tot iemands verantwoordelijkheden binnen de vennootschap, het vermogen of de resultaten van die vennootschappen en iemands minimale financiële behoeften.
Maar ook in de sfeer van het familiaal vermogensrecht kan de vennootschap niet zomaar als een oninneembaar fort worden benaderd.
Zo werd er in 2018 in de wet een vergoedingscorrectie ingeschreven indien een echtgenoot zijn of haar beroep uitoefent binnen het kader van een eigen vennootschap, zodat het eigen vermogen van de beroepsactieve echtgenoot een vergoeding is verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen voor de netto beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen een vennootschap was uitgeoefend (art. 2.3.44, derde lid B.W.).
Met twee arresten, van 14 februari en 2 mei 2025, nuanceert het Hof van Cassatie ook inzake alimentatievorderingen de krijtlijnen waarbinnen het vennootschapsscherm kan worden doorprikt. In geschillen over onderhoudsbijdragen rijst immers vaak de vraag in welke mate inkomsten, die door een onderhoudsplichtige worden verkregen binnen een vennootschap, kunnen worden toegerekend aan die onderhoudsplichtige ouder of (ex-)partner.
In beide arresten oordeelt het Hof:
“Bij het bepalen van de bijdrage van de ouders in de kosten voor hun kinderen kan de rechter rekening houden met inkomsten die een ouder als titularis van een vennootschap zich redelijkerwijze kon verschaffen. Zo kan de alimentatierechter rekening houden met de winsten van een vennootschap waarvan een ouder bestuurder of aandeelhouder is, ingeval die winsten, zonder bedrijfseconomische noodzaak, als reserve in de vennootschap werden aangehouden en niet bij wijze van vergoeding of dividend aan de ouder werden uitgekeerd, terwijl die ouder anders kon beslissen.”
Het is dus facultatief voor de onderhoudsrechter om het scherm van de vennootschap te doorprikken en bovendien moet de rechter zich ook terughoudend opstellen ten opzichte van de vennootschap. Enkel als er redelijkerwijze een uitkering kon zijn omwille van het feit dat er geen bedrijfseconomische noodzaak bestond om de fondsen binnen de vennootschap te houden, kan er rekening mee worden gehouden in het kader van alimentatievorderingen. Ten slotte moet de onderhoudsplichtige zelf ook ‘aan het roer staan’ in de vennootschap gelet op de vennootschapsrechtelijke spelregels ter zake.
Bij arrest van 14 februari 2025 werd een arrest van het hof van beroep te Brussel verbroken omdat het hof van beroep volgens Cassatie te voortvarend had geoordeeld. Het Hof van Cassatie oordeelt meer bepaald dat er niet was nagegaan welk deel van de inkomsten de onderhoudsplichtige zich redelijkerwijze kon verschaffen rekening houdend met voormelde bedrijfseconomische noodzaak binnen de vennootschap.
In het arrest van 2 mei 2025 verbrak het Hof van Cassatie (wederom) een arrest van het hof van beroep te Brussel omwille van het feit dat er niet werd nagegaan of er anders kon worden beslist gelet op de wettelijke en statutaire spelregels binnen de vennootschap.
Kortom, met de arresten van 14 februari en 2 mei 2025 bevestigt en verfijnt het Hof van Cassatie zijn eerdere rechtspraak over de doorbreking van de rechtspersoonlijkheid in alimentatiezaken. De economische realiteit kan volgens het Hof primeren, maar steeds binnen de grenzen van de redelijkheid en met respect voor het vennootschapsbeleid en de vennootschapsrechtelijke spelregels. De doorprikking van het vennootschapsschild blijft dus een uitzonderlijk gegeven en de huidige rechtspraak is geen vrijgeleide om vennootschappen structureel te negeren in familiale geschillen.
Annelies Maeckelbergh (maeckelbergh@deknudtnelis.be)
Guillaume Deknudt (deknudt@deknudtnelis.be)