Meerwaardebelasting op financiële activa: eindelijk een definitief kader!

Er is de laatste maanden allicht over geen enkel onderwerp zoveel inkt gevloeid als over de invoering van de nieuwe meerwaardebelasting op financiële activa. Na een lange lijdensweg en heel wat controverse is de Wet tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa op 2 april 2026 (uit)eindelijk goedgekeurd door de plenaire vergadering en is deze op 21 april 2026 in het Belgisch staatsblad gepubliceerd. Ondanks de vraag van heel wat ondernemers, fiscalisten en beleggers om het e.e.a. nog aan te passen en verder te verduidelijken in de wettekst zelf, zijn er quasi geen inhoudelijke wijzigingen meer gebeurd. Wel heeft de minister getracht om zowel in het verslag van de eerste lezing als de tweede lezing nog een aantal zaken te verduidelijken. Verdere verduidelijkingen m.b.t. de concrete toepassing zouden nog volgen in een circulaire.

De nieuwe meerwaardebelasting zal van toepassing zijn op bepaalde categorieën van meerwaarden verwezenlijkt vanaf 1 januari 2026 naar aanleiding van een overdracht ten bezwarende titel buiten het kader van een beroepswerkzaamheid en binnen het kader van normaal beheer van een privévermogen. Meerwaarden verwezenlijkt in het kader van abnormaal beheer blijven dus belastbaar aan een tarief van 33% plus gemeentebelasting!

We geven hieronder een beknopt overzicht van de belangrijkste spelregels zoals vastgelegd in de finaal aangenomen wettekst.

A. Wie valt onder het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting?

De nieuwe meerwaardebelasting is van toepassing in de personenbelasting (d.w.z. op natuurlijke personen die Belgisch rijksinwoner zijn) en de rechtspersonenbelasting (namelijk op de rechtspersonen die, eenvoudig gesteld, geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden (waaronder dus de meeste VZW’s en stichtingen) behalve als ze erkend zijn om attesten uit te reiken voor giften).

In geval van gesplitste eigendom (volle eigendom – blote eigendom) worden de meerwaarden belast in hoofde van de blote eigenaar. In dit kader heeft de minister verduidelijkt dat als enkel het vruchtgebruik op een financieel actief wordt verkocht de eventuele meerwaarde niet als een belastbare meerwaarde kan worden beschouwd daar het niet de bedoeling is om de blote eigenaar in dat geval te belasten gelet op het feit dat dergelijke transactie zonder het medeweten en goedvinden van de blote eigenaar gebeurt (waarbij de vraag kan worden gesteld of hetzelfde principe geldt indien de blote eigenaar de transactie wel goedkeurt). Voormelde geldt volgens de minister eveneens bij een omzetting van het vruchtgebruik in een geldsom. De minister voegde er wel aan toe dat hij zal blijven monitoren of er via technieken inzake overdracht van vruchtgebruik geen sprake kan zijn van misbruik en artificiële ontwijking van de meerwaardebelasting.

De belasting is niet van toepassing op niet-inwoners, behoudens voor personen die uit België emigreren onder bepaalde voorwaarden (zie verder inzake de exit taks).

B. Welke meerwaarden worden er gevat?

De nieuwe meerwaardebelasting is van toepassing op drie categorieën van meerwaarden:

1) 1e categorie: interne meerwaarden

De eerste categorie van belastbare meerwaarden zijn de zogenaamde “interne meerwaarden” die worden verwezenlijkt bij de verkoop van aandelen en winstbewijzen aan een “eigen” vennootschap, d.w.z. een vennootschap waarop de overdrager alleen of samen met naaste familieleden rechtstreeks of onrechtstreeks controle uitoefent. Onder naaste familieleden worden begrepen de echtgenoot van de overdrager, de afstammelingen, de ascendenten en de zijverwanten tot en met de 2de graad en die van de echtgenoot. Of er al dan niet sprake is van “controle” moet worden beoordeeld conform art. 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

De minister heeft hierbij verduidelijkt dat indien er controle wordt uitgeoefend met een derde (gedurende bv. een bepaalde periode, wat een gangbare techniek is bij Private Equity overnames) er geen sprake kan zijn van interne meerwaarden. Daarnaast heeft de minister ook laten verstaan dat de controle in principe aanwezig moet zijn op het moment van de verkoop (onder voorbehoud van de toepassing van de antimisbruikbepaling).

2) 2e categorie: aanmerkelijk belang (“gunstregime”)

De tweede categorie van belastbare meerwaarden betreft de “aanmerkelijk belangparticipaties (andere dan interne meerwaarden). Men spreekt van een “aanmerkelijk belang” indien de overdrager op het moment van de overdracht minstens 20% van de rechten in het kapitaal van de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen, aanhoudt (in kapitaalloze vennootschappen betreft het de rechten in het eigen vermogen van de vennootschap voor zover dit werd gevormd door inbrengen in geld of in natura, andere dan inbrengen in nijverheid). Het betreft bijgevolg enkel meerwaarden op aandelen en niet op bv. winstbewijzen. De 20% drempel wordt beoordeeld in hoofde van iedere belastingplichtige afzonderlijk.

De aanmerkelijk belang-meerwaarden zijn onderworpen aan gunstigere tarieven dan de andere twee categorieën (zie hieronder).

Ook omtrent de drempel van 20% heeft de minister intussen het e.e.a. verduidelijkt. Zo heeft de minister reeds laten verstaan dat indien de aandelen in het gemeenschappelijk vermogen zitten er een participatie van 40% moet worden aangehouden om onder de aanmerkelijkbelangregeling te vallen. Wat betreft aandelen onder titre et finance regeling (waarbij, onder bepaalde voorwaarden, de lidmaatschapsrechten (titre) eigen zijn aan de echtgenoot op wiens naam ze staan ingeschreven maar de vermogenswaarde (finance) toekomt aan de huwgemeenschap) heeft de minister aangegeven dat de 20% zal worden beoordeeld in hoofde van de belastingplichtige die de lidmaatschapsrechten in handen heeft. Het is bijgevolg enkel van belang op wiens naam de aandelen zijn ingeschreven waarbij er geen rekening wordt gehouden met het feit dat de vermogenswaarde van de aandelen op grond van het huwelijksvermogensrecht tot het gemeenschappelijk vermogen behoort. Worden de aandelen aangehouden in vruchtgebruik – blote eigendom, dan zal voor de beoordeling van de 20% grens worden gekeken naar de blote eigenaar.

3) 3e categorie: algemene restcategorie meerwaarden op financiële activa

De derde en laatste categorie betreft een restcategorie waaronder alle meerwaarden op financiële activa die niet belastbaar zijn onder de 1e en de 2de categorie begrepen worden.

Het begrip “financiële activa” moet ruim worden geïnterpreteerd. Het omvat o.m. effecten (aandelen, aandelencertificaten, obligaties,…), geldmarktinstrumenten, rechten in beleggingsfondsen (waaronder ETF’s), derivaten (opties, futures, swaps, termijncontracten,…) alsook verzekeringsovereenkomsten (tak 21, 22, 23, 26, 44), cryptoactiva, valuta (bankbiljetten, muntstukken, giraal of elektronisch geld wanneer dit niet wordt aangehouden op een betaalrekening) en beleggingsgoud.

Vooralsnog worden o.m. kunstwerken en juwelen niet gevat.

C. Wanneer is de nieuwe meerwaardebelasting verschuldigd?

De nieuwe meerwaardebelasting is verschuldigd bij een overdracht onder bezwarende titel van financiële activa die onder één van de drie categorieën vallen. Volgens de minister is er een overdracht “ten bezwarende titel” wanneer ze voor elke partij een voordeel oplevert. De verkoop/inbreng/ruil van financiële activa alsook de uitonverdeeldheidtreding zal in principe een overdracht ten bezwarende titel uitmaken (zie echter hierna voor een aantal uitzonderingen). Ook een inbreng in een maatschap valt binnen het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting in zoverre er daadwerkelijk een vermogensverschuiving plaatsvindt tussen de vennoten (en indien het niet gaat om een inbreng van aandelen).

Daarenboven worden in de nieuwe wettekst een aantal situaties gelijkgesteld met een overdracht onder bezwarende titel:
– De vereffening bij leven van kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten die onder het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting vallen;
– De vereffening bij leven van kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten die onder het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting vallen;
– De emigratie van een belastingplichtige uit België (de zogenaamde “exit-taks”). Bij emigratie uit België is de latente meerwaarde op het ogenblik van emigratie in principe belastbaar. Indien de belastingplichtige emigreert naar een land binnen de EER of naar een land waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in wederzijdse uitwisseling van informatie en invorderingsbijstand dan geldt automatisch een uitstel van betaling voor een periode van 2 jaar. Verhuist de belastingplichtige naar een ander land of verhuist de belastingplichtige binnen de 2 jaar van een EER land naar een ander land, dan moet hij zelf om het betalingsuitstel verzoeken en een zekerheid verstrekken. De belastingplichtige dient daarenboven jaarlijks een attest te bezorgen waarin hij o.m. dient te bevestigen dat de financiële activa niet onder bezwarende titel werden vervreemd. Bij een vervreemding na twee jaar is er geen meerwaardebelasting meer verschuldigd.

Een overdracht ten gevolge van een schenking of een erfenis is niet ten bezwarende titel en valt dus buiten het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting. Bij een latere overdracht ten bezwarende titel van de geschonken/geërfde financiële activa door de begiftigde/erfgenaam zal de eventuele meerwaarde uiteraard wel belastbaar zijn (waarbij voor de berekening van de meerwaarde rekening mag worden gehouden met de initiële aanschaffingswaarde door de schenker/erflater – zie verder). Volgens de minister is een inbreng door één echtgenoot in de huwgemeenschap evenmin een handeling onder bezwarende titel waardoor ook dat buiten het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting zou vallen.

De nieuwe meerwaardebelasting zal, zoals reeds gezegd, van toepassing zijn op meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026. Uitgestelde betaling van overdrachten gedaan vóór 1 januari 2026 worden volgens de minister in principe niet gevat (ongeacht wanneer de betaling van de prijs finaal gebeurt en enkel in zoverre de prijs bepaald is/vaststaat).

D. Welk tarief is er van toepassing?

Het toepasselijk tarief verschilt per categorie van meerwaarden:
– Meerwaarden die vallen onder de 1e categorie (de zogenaamde “interne meerwaarden”) zullen belast worden aan een tarief van 33%.
– Meerwaarden die vallen onder de 2de categorie (de zogenaamde “aanmerkelijk belang-meerwaarden”) kunnen genieten van een gunstiger progressief tarief met een vrijstelling per belastingplichtige van de eerste schijf van 1 miljoen euro aan meerwaarden. Het bedrag van deze vrijstelling is slechts beschikbaar per periode van vijf opeenvolgende jaren (bedragen worden niet geïndexeerd).

Eerste schijf van 1 miljoen euro -> Vrijgesteld (bedrag beschikbaar per periode van 5 opeenvolgende jaren)
1 miljoen euro – 2,5 miljoen euro -> 1,25%
2,5 miljoen euro – 5 miljoen euro -> 2,5%
5 miljoen euro – 10 miljoen euro -> 5%
Vanaf 10 miljoen euro -> 10%
In uitzondering op het bovenstaande geldt bij een overdracht van een aanmerkelijk belang aan een entiteit die buiten de EER is gevestigd een tarief van 16,5% op het volledige gedeelte van de meerwaarde boven de eerste vrijgestelde schijf van 1 miljoen euro.
– Meerwaarden die vallen onder de algemene restcategorie zullen belast worden aan een tarief van 10% met een jaarlijkse vrijstelling per belastingplichtige van de eerste schijf van € 10.000 aan meerwaarden (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027). De vrijstelling van € 10.000 is beperkt overdraagbaar. In de mate de eerste schijf van € 1.000 (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027) niet gebruikt is in een bepaald jaar, kan dit worden overgedragen naar het volgend jaar waarbij het totale overgedragen bedrag nooit meer kan bedragen dan € 5.000 (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027). Echtgenoten maken ieder afzonderlijk aanspraak op voormelde vrijstelling.

E. Wat is de grondslag voor de meerwaardebelasting?

In principe is de belastbare meerwaarde gelijk aan het positieve verschil tussen de prijs of waarde die wordt ontvangen voor de overgedragen financiële activa enerzijds en de aanschaffingswaarde anderzijds. Eventuele kosten die zouden zijn gemaakt (al dan niet bij de overdracht) zijn niet aftrekbaar. Minwaarden zijn wel aftrekbaar, doch enkel in het jaar van realisatie en enkel van meerwaarden binnen dezelfde categorie. Een minwaarde op financiële activa van de 3de categorie kan dus niet worden afgezet tegen een meerwaarde op financiële activa van de 1e of 2de categorie.

Onder aanschaffingswaarde wordt begrepen de prijs of waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger de financiële activa onder bezwarende titel heeft verkregen. Indien bijgevolg de erfgenaam of begiftigde een geërfd dan wel geschonken financieel actief verkoopt, dan zal hij moeten aantonen tegen welke prijs de erflater dan wel de schenker dit actief ten bezwarende titel heeft verworven. Bij de verkoop van een deel van identieke financiële activa, worden de eerst aangekochte activa geacht als eerst te zijn verkocht (FIFO-methode).

Er is voorzien in specifieke regels voor o.m. de bepaling van de belastbare meerwaarde voor optieplannen en levensverzekeringsovereenkomsten die gevat worden door de wet. Voor belastingplichtigen die naar België immigreren, geldt een step-up regeling waarbij de aanschaffingswaarde van de activa gelijk wordt gesteld aan de waarde op de eerste dag dat de belastingplichtige onderworpen is aan de Belgische personenbelasting. Indien de immigratie plaatsvindt binnen de twee jaar na een emigratie uit België, wordt de aanschaffingswaarde bepaald alsof de belastingplichtige niet was geëmigreerd (in dat geval mag het bedrag van de aanschaffingswaarde wel vermeerderd worden met het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor een effectieve heffing van een buitenlandse meerwaardebelasting).

Voor financiële activa verkregen vóór 1 januari 2026 geldt een vrijstelling van de historische meerwaarde. Dit houdt in dat voor de berekening van de belastbare meerwaarde de waarde per 31 december 2025 (het “foto-moment”) in rekening wordt genomen en enkel de meerwaarde tussen 1 januari 2026 en het moment van de overdracht belastbaar is. Hierbij is het uiteraard wel van belang dat de belastingplichtige kan aantonen dat de activa werden verkregen vóór 1 januari 2026 (door hemzelf dan wel door zijn rechtsvoorganger) en wat de waarde was van deze activa op 31 december 2025. Voor beursgenoteerde financiële activa zal de laatste slotkoers van 2025 worden weerhouden. Voor niet-beursgenoteerde financiële activa mag de hoogste van volgende waardes worden gehanteerd:
– De waarde gehanteerd bij een overdracht onder bezwarende titel van dezelfde financiële activa tussen volstrekt onafhankelijke partijen in 2025, of n.a.v. de laatste kapitaalverhoging of van de oprichting van de vennootschap die plaatsvond in 2025;
– De waarde die het resultaat is van de toepassing van een waarderingsformule vastgesteld in een contract of in een contractueel aanbod van verkoopoptie met betrekking tot deze financiële activa dat in werking is op 1 januari 2026 (bv. een aandeelhoudersovereenkomst);
– Specifiek voor aandelen en met aandelen gelijkgestelde instrumenten mag ook worden uitgegaan van het eigen vermogen verhoogd met vier keer de EBITDA van het laatste boekjaar afgesloten vóór 1 januari 2026;
– De waarde van niet-beursgenoteerde aandelen en met aandelen gelijkgestelde instrumenten (alsook andere financiële activa waarbij de hierboven opgesomde methodes niet van toepassing zijn), kan ook worden vastgesteld door een bedrijfsrevisor of een gecertificeerd accountant (die niet de gebruikelijke dienstverlener mag zijn van de belastingplichtige) en dit uiterlijk op 31 december 2027. Het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (“IBR”) en de Institute for Tax Advisors & Accountants (“ITAA”) werken momenteel aan een toelichting van de deontologische principes die op deze opdracht van toepassing zullen zijn alsook aan de opmaak van een technische nota. De fiscus kan de waardering door de revisor/accountant betwisten indien er bv. aanwijzingen zijn dat de waardering niet martkconform is. De minister heeft laten verstaan dat dit slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal gebeuren.

In het geval de werkelijke aanschaffingswaarde hoger zou liggen dan de waarde per 31 december 2025 kan deze werkelijke aanschaffingswaarde in aanmerking worden genomen, doch enkel voor overdrachten tot en met 31 december 2030.

F. Vrijstellingen voor bepaalde financiële activa of verrichtingen

In de wettekst worden bepaalde financiële activa of verrichtingen vrijgesteld van de nieuwe meerwaardebelasting.

Zo wordt bv. voorzien in een vrijstelling voor meerwaarden op aandelen of deelbewijzen in beleggingsvennootschappen of gemeenschappelijke beleggingsfondsen (die een instelling voor collectieve belegging zijn) voor zover deze worden verwezenlijkt n.a.v. bepaalde reorganisaties van deze fondsen (bv. fusie, splitsing,…). Ook de meerwaarden op verzekeringen van de tweede en derde pensioenpijler waarop de belastingvermindering voor langetermijnsparen van toepassing is, worden vrijgesteld.

Daarnaast bevat de wet een aantal specifieke vrijstellingen teneinde dubbele belasting te voorkomen. Zo worden meerwaarden die reeds belastbaar zijn als roerend inkomen of beroepsinkomen of onderworpen zijn aan de taks op het langetermijnsparen vrijgesteld. Men denke hier bv. aan meerwaarden op fondsen die voor meer dan 10% beleggen in schuldvorderingen die reeds belast worden als intrest onder de zogenaamde Reynders-taks (merk hierbij op dat het gedeelte van de meerwaarde dat niet wordt belast als intrest onder de Reynders-taks wel gewoon onderworpen is aan de nieuwe meerwaardebelasting), meerwaarden die onderworpen zijn aan het specifiek belastingregime voor carried interest,…

De voor de planningspraktijk allicht belangrijkste vrijstellingen betreffen de vrijstelling van de meerwaarden gerealiseerd bij een inbreng van aandelen in een vennootschap en de vrijstelling van meerwaarden n.a.v. een uitonverdeeldheidtreding die voortvloeit uit een overlijden, een echtscheiding en het einde van een wettelijke dan wel feitelijke samenwoning. Wat de vrijstelling van meerwaarden gerealiseerd bij een inbreng van aandelen betreft, wordt dit strikt toegepast en geldt dit enkel voor de inbreng van aandelen en bv. niet voor de inbreng van obligaties. In de memorie van toelichting werd bevestigd dat deze vrijstelling ook geldt voor een inbreng van aandelen in een maatschap (daar de maatschap, hoewel het een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid is, wel een afgescheiden vermogen heeft). Wat de vrijstelling van uitonverdeeldheidtredingen ten gevolge van een overlijden, een echtscheiding of beëindiging van een wettelijke dan wel feitelijke samenwoning betreft, worden de meerwaarden enkel vrijgesteld indien de uitonverdeeldheidtreding plaatsvindt binnen een periode van 3 jaar. In dit verband heeft de minister verduidelijkt dat ook in de hypothese van een schenking in onverdeeldheid waarbij de begiftigden vervolgens binnen de drie jaar na het overlijden van de schenker uit onverdeeldheid treden, voormelde vrijstelling van toepassing is.

G. Hoe wordt de nieuwe meerwaardebelasting geïnd?

De inning van de nieuwe meerwaardebelasting gebeurt hetzij aan de bron, hetzij via de belastingaangifte.

1) Meerwaarden op financiële instrumenten en verzekeringsovereenkomsten aangehouden in België: in principe bevrijdende roerende voorheffing (“opt-in”) tenzij expliciet gekozen voor “opt-out”

Wat betreft meerwaarden op financiële instrumenten (zoals bedoeld in artikel 2, 1° a) tot k) van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten (zo o.m. aandelen, obligaties en andere schuldinstrumenten die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging, geldmarktinstrumenten, financiële futures, rentetermijncontracten, rente- en valutaswaps, equity-swaps, valuta- en renteopties)) en verzekeringsovereenkomsten aangehouden via een tussenpersoon in België, zal de heffing van 10% in principe rechtstreeks worden afgehouden door de Belgische tussenpersoon (bankinstelling, verzekeringsinstelling,…), tenzij de belastingplichtige kiest voor een opt-out (zie hierna). De belastingplichtige hoeft dan zelf verder niets aan te geven waardoor hij nog een vorm van anonimiteit behoudt. Wel is het zo dat de eventuele minderwaarden of de vrijstelling van de eerste schijf van € 10.000 (maximaal € 15.000) dan niet worden verrekend door de tussenpersoon. De belastingplichtige zal, indien gewenst, de toepassing daarvan zelf moeten vragen in zijn belastingaangifte (waarbij het niet de bedoeling is dat alle gerealiseerde meerwaarden worden aangegeven, doch enkel degene waarvoor de vrijstelling/correctie wordt gevraagd). Ook de toepassing van een hogere aanschaffingswaarde zal moeten worden gevraagd in de belastingaangifte zelf.

Teneinde de financiële tussenpersonen de kans te geven om alle nodige aanpassingen te doen, werd in de wettekst voorzien in een overgangsperiode. De bevrijdende roerende voorheffing zal moeten worden ingehouden op meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 juni 2026 (tenzij de belastingplichtige heeft gekozen voor een “opt-out” – zie hierna). Wat betreft meerwaarden gerealiseerd tussen 1 januari 2026 en 31 mei 2026 geldt er in principe een wettelijk vermoeden van “opt-out” (waarbij de belastingplichtige de meerwaarden zelf moet aangeven in zijn belastingaangifte) tenzij hij expliciet kiest voor een retroactieve bronbelasting waarbij de meerwaardebelasting wordt doorgestort door de financiële tussenpersoon. De belastingplichtige moet zijn keuze bekendmaken aan de financiële tussenpersoon ten laatste op 31 augustus 2026 (hoewel verschillende tussenpersonen in de praktijk al eerder de vraag zullen stellen). De financiële tussenpersoon zelf heeft dan tijd om de meerwaarden gerealiseerd tussen 1 januari 2026 en 30 juni 2026 door te storten ten laatste op 30 november 2026.

De belastingplichtige kan er ook voor opteren om de meerwaarden op financiële instrumenten en verzekeringsovereenkomsten zelf aan te geven (“opt-out”) hetgeen als voordeel heeft dat hij de belasting pas later zal moeten betalen en het geld intussen verder kan beleggen. De financiële tussenpersoon zal in dat geval de fiscus op de hoogte brengen van de opt-out en een overzicht bezorgen van alle belastbare meerwaarden. De keuze van opt-out geldt voor het hele inkomstenjaar en kan wat betreft inkomstenjaar 2026 worden gemaakt tot ten laatste 31 augustus 2026. Allicht zullen belastingplichtigen in de praktijk reeds vóór 1 juni 2026 (zijnde de datum vanaf dewelke de bevrijdende roerende voorheffing zal dienen te worden ingehouden) worden gevraagd hun keuze kenbaar te maken. Merk hierbij wel op dat indien de belastingplichtige een effectenportefeuille aanhoudt met andere titularissen, alle titularissen moeten kiezen voor een opt-out.

Wat betreft de meerwaarden op verzekeringsproducten, geldt het wettelijk vermoeden van opt-out voor meerwaarden verwezenlijkt tot en met 31 augustus 2026. Indien de belastingplichtige ook voor die periode de toepassing van de bevrijdende roerende voorheffing wenst, zal hij hierom moeten verzoeken.

2) In alle andere gevallen: aangifteplicht

In alle andere gevallen (alsook in geval van een opt-out), dient de belastingplichtige de belastbare meerwaarden zelf aan te geven in zijn belastingaangifte. Dit geldt o.m. in geval van interne meerwaarden, aanmerkelijk-belang meerwaarden (die in de meeste gevallen niet zullen worden aangehouden middels een financieel tussenpersoon), wisselkoersmeerwaarden op termijnrekeningen, meerwaarden op activa aangehouden in het buitenland, meerwaarden op goudstaven en crypto-activa enz.

Er werd gevreesd dat de aangifteplicht van meerwaarden verwezenlijkt op bv. crypto-activa (en andere meer speculatieve financiële producten) massaal zal leiden tot belastingen op grond van abnormaal beheer. De minister heeft getracht de gemoederen wat te bedaren door eraan te herinneren dat het uitgangspunt van het nieuwe stelsel een heffing van 10% is, ook voor crypto-activa en dat een belasting van 33% wegens abnormaal beheer slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegepast (waarbij het een combinatie van factoren is, en niet slechts één factor die kan leiden tot een belasting aan 33%). Of dit in de praktijk ook zo zal worden toegepast door de fiscus, valt nog af te wachten.

***

De wet die de meerwaardebelasting invoert is nu eindelijk echt van kracht. Ondanks de verduidelijkingen van de minister belooft de praktische toepassing van de nieuwe meerwaardebelasting bijzonder complex te worden hetgeen allicht zal leiden tot veel (rechts)onzekerheid bij belastingplichtigen. Bij vragen staan wij graag tot uw beschikking.

Elen Miskaryan (miskaryan@deknudtnelis.be)
Sven Nelis (nelis@deknudtnelis.be)

Vergoeding bij echtscheiding voor beroepsinkomsten via eigen vennootschap: wijkt Grondwettelijk Hof af van gekende principes?

Op 5 maart 2026 heeft het Grondwettelijk Hof een belangwekkend arrest (25/2026) gewezen over de behandeling van de meerwaarde van aandelen van een eigen vennootschap binnen het wettelijk stelsel, althans voor zover deze meerwaarde het gevolg is van de beroepsactiviteit van de echtgenoot of echtgenoten.

De feiten

Een geschil tussen twee ex-echtgenoten (gescheiden in 2022) die gehuwd waren in 2002 onder het wettelijk stelsel, lag aan de basis van dit arrest.

Kort na het huwelijk richtte de man een vennootschap op met eigen middelen. Beide echtgenoten werkten vervolgens voltijds voor deze vennootschap en ontvingen een gelijke maandelijkse vergoeding. Later werd via deze vennootschap een naamloze vennootschap overgenomen dewelke een rusthuis uitbaatte, wat enkel mogelijk was dankzij het kwalificerende diploma van de echtgenote. Deze laatste vennootschap werd nog tijdens het huwelijk verkocht met een mooie meerwaarde.

Na de echtscheiding ontstond in het kader van de vereffening-verdeling discussie of de waardestijging van de aandelen van de BV (voormelde vennootschap van de man) tot het eigen vermogen van de echtgenoot-aandeelhouder behoorde dan wel (gedeeltelijk) tot de huwgemeenschap.

De familierechtbank van Namen legde hierover meerdere prejudiciële vragen voor aan het Grondwettelijk Hof.

Het oordeel van het Grondwettelijk Hof

Het Hof bevestigt vooreerst dat aandelen die met eigen middelen werden verworven, eigen blijven, inclusief hun waardestijging. Dit is op zich niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Het statuut van de goederen, hier eigen aandelen, dient dus te worden gerespecteerd, ook voor wat betreft de meerwaarde.

Maar het Hof benadrukt tegelijkertijd dat het wettelijk stelsel berust op het principe dat inkomsten uit beroepsactiviteiten gemeenschappelijk zijn. Belangrijk is dat het Hof uitdrukkelijk stelt dat dit een fundamenteel kenmerk betreft van het wettelijk stelsel, waarvan de echtgenoten niet kunnen afwijken: “Het zou niet aanvaardbaar zijn dat in een dergelijk stelsel de betrokken echtgenoot die zijn beroep uitoefent in het kader van een vennootschap waarvan de aandelen hem volledig eigen zijn, het gemeenschappelijk vermogen de inkomsten uit zijn beroepsactiviteit deels of volledig ontzegt.”

Het Hof verwijst daarbij naar het vergoedingsmechanisme voorzien in artikel 1432 oud BW, zoals aangevuld met een tweede lid ingevolge de wet van 22 juli 2018 (thans art. 2.3.44 eerste en tweede lid BW). In dit tweede lid werd een specifieke vergoedingsgrond ingevoerd voor de netto beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen “redelijkerwijze” had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen een eigen vennootschap was uitgeoefend (in principe is dit tweede lid van toepassing voor bestuurshandelingen vanaf 1 september 2018).

Het Hof oordeelt dat er derhalve geen schending van het gelijkheidsbeginsel voorligt.

Waar het Hof ingaat op artikel 1432, eerste lid oud BW oordeelt het Hof dat: “in het wettelijk stelsel, de verrijking van het eigen vermogen door de inspanningen van een echtgenoot in het kader van een beroepsrelatie, die bijgevolg gepaard gaat met een verarming van het gemeenschappelijk vermogen, aanleiding moet geven tot een vergoeding”.

Waar het Hof ingaat op voormeld toegevoegde tweede lid van artikel 1432 oud BW, oordeelt het Hof als volgt: “Daaruit volgt dat, in de situatie die in de prejudiciële vraag wordt aangevoerd, het eigen vermogen van de echtgenoot die houder is van de aandelen van de vennootschap aan de hand waarvan hij zijn beroepsactiviteit uitoefent aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd is die gelijk is aan het bedrag waarmee het gemeenschappelijk vermogen is verarmd, dat wil zeggen gelijk aan het bedrag van de inkomsten die het gemeenschappelijk vermogen zou hebben ontvangen indien de beroepsactiviteit niet in het kader van een vennootschap was uitgeoefend. Die vergoeding omvat in principe de meerwaarde die door de aandelen van de vennootschap is verkregen dankzij, hoofdzakelijk, de beroepsactiviteit van de aandeelhoudende echtgenoot tijdens het huwelijk en, a fortiori, de meerwaarde die toe te schrijven is aan de beroepsactiviteit van de andere echtgenoot.”

Ten slotte oordeelt het Hof ook nog dat het redelijk verantwoord is dat, indien de vennootschap eigen is aan een echtgenoot, een verarming van het gemeenschappelijk vermogen moet worden aangetoond opdat aan die laatste een vergoeding verschuldigd zou zijn, ook al is dat niet het geval indien de aandelen gemeenschappelijk zijn.

Opmerkelijke elementen in het arrest

Een aantal zaken zijn toch opmerkelijk in het arrest.

Ten eerste wordt duidelijk gesteld dat van het principe dat in het wettelijk stelsel de beroepsinkomsten (minstens via een vergoeding) aan beide echtgenoten moeten toekomen niet kan worden afgeweken. De stellingname in bepaalde rechtsleer dat na de invoering van voormeld tweede lid aan artikel 1432 oud BW (thans art. 2.3.44, tweede lid BW), van die regel zou kunnen worden afgeweken in het huwelijkscontract, lijkt dan ook niet langer houdbaar. Indien men ervoor kiest om te huwen onder het wettelijk stelsel, dan heeft dit zijn onafwendbare gevolgen.

Ten tweede lijkt het arrest ook aan te geven dat het voormelde tweede lid van artikel 1432 oud BW, nochtans pas ingevoerd bij de wet van 2018, ook voor de periode ervoor in acht moet worden genomen bij de beoordeling van de toekenning van een vergoedingsrekening. Het Hof geeft althans niet aan dat er een cesuur zou zijn in het kader van de invulling van de vergoedingsrekening voor of na 1 september 2018. Integendeel, waar het Hof het heeft over dit tweede lid staat er letterlijk ‘in de situatie die in de prejudiciële vraag wordt aangevoerd’, terwijl het voorliggend geval vooral betrekking heeft op de periode voor september 2018.

Ten derde stelt het Hof dat de vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen in principe de meerwaarde omvat die door de aandelen van de vennootschap is verkregen dankzij de beroepsactiviteit binnen de vennootschap. Dit doet vragen rijzen naar de toepassing van het begrip “redelijkerwijze” (zie supra) in het tweede lid van artikel 2.3.44 BW. In de parlementaire voorbereiding (waar het Hof overigens naar refereert) staat immers het volgende te lezen: “Daarbij mag de echtgenoot verweerder dus ook inroepen dat er binnen zijn vennootschap bedrijfseconomische redenen waren, die (eventueel minstens voor bepaalde periodes) verantwoordden dat er niet meer werd uitgekeerd dan wat de gemeenschap daadwerkelijk heeft ontvangen.” Bedrijfseconomisch zal het misschien nodig zijn niet uit te keren, hetgeen nochtans toch tot een meerwaarde (en bijgevolg vergoedingsplicht?) kan leiden…

Ten vierde doet het arrest ook vragen rijzen naar de precieze aflijning van de vergoeding. Enerzijds gaat het over ‘inkomsten die het gemeenschappelijk vermogen zou hebben ontvangen indien de beroepsactiviteit niet in het kader van een vennootschap was uitgeoefend’. Dit zijn dus de beroepsinkomsten zelf, maar wellicht ook de gespaarde inkomsten op deze beroepsinkomsten. Anderzijds stelt het Hof dat de vergoeding gelijk is aan: ‘in principe de meerwaarde die door de aandelen van de vennootschap is verkregen dankzij, hoofdzakelijk, de beroepsactiviteit’. De grens tussen de beroepsgerelateerde meerwaarde en de niet-beroepsgerelateerde meerwaarde binnen een vennootschap is dus op die manier vrij vaag. In elk geval zal het geen sinecure zijn om deze vergoeding in elk concreet geval exact te begroten. Wat bijvoorbeeld te denken ook van een voorhuwelijkse vennootschap waar na het huwelijk het beroep verder wordt in uitgeoefend en waarbij deze vennootschap al bepaalde activa had die dateren van voor het huwelijk?

Het valt af te wachten hoe de rechtspraak met dit arrest zal omgaan bij de invulling van de concrete vergoeding.

Conclusie

Elke ondernemer die huwt onder het wettelijk stelsel (of een gemeenschapsstelsel) zal niet zomaar zijn beroepsinkomsten kunnen behouden, ook al oefent hij zijn beroep uit via een eigen vennootschap.

De aandelen van de vennootschap zelf zullen dan wel integraal tot zijn eigen vermogen blijven behoren. Vermogensrechtelijk zal er op het einde van de rit – in casu bij een echtscheiding, maar idem bij een overlijden – toch nog een verrekening moeten gebeuren.

Het Grondwettelijk Hof lijkt deze verrekening ruim in te vullen.

Wie dit niet wil, zal dus beter andere opties bekijken.

Annelies Maeckelbergh (maeckelbergh@deknudtnelis.be)
Guillaume Deknudt (deknudt@deknudtnelis.be)

Erfenisbejaging: het kwaadwillig manipuleren van de erflater

Een testament is in principe het voortvloeisel van de vrije wil van de erflater, die – om een verscheidenheid aan (goede of minder goede) redenen – zijn nalatenschap op een bepaalde wijze wil verdelen. Soms is deze vrije wil evenwel niet zo vrij als zou moeten zijn. Dit kan bijvoorbeeld zijn omwille van een gebrek aan gezondheid van geest (zoals o.a. bij vergevorderde dementie), maar eveneens omwille van het feit dat er sprake is geweest van erfenisbejaging. Een spraakmakend voorbeeld van dit laatste – waarin dit althans wordt gesuggereerd – kan worden gevonden in de Radio 1-podcastreeks “het fortuin Carlier”.

Maar wat is erfenisbejaging precies? Het Hof van Cassatie definieerde bij arrest van 3 januari 2025 erfenisbejaging als volgt:

“Vermogens- of erfenisbejaging is een vorm van bedrog waarbij de begiftigde of een derde middelen inzet, handelingen stelt of manipulaties verricht met de bedoeling om de vrije wil van de beschikker te beïnvloeden door hem te doen dwalen en hem zodoende aan te zetten tot het doen van een gift die hij anders klaarblijkelijk niet zou hebben gedaan.”

Uit deze passus kunnen volgende belangrijke elementen worden gedistilleerd:

1. Het materiële element wordt ruim omschreven: ‘middelen inzet, handelingen stelt of manipulaties verricht’, door de begiftigde of door een derde.
2. Het moreel element moet bij deze bijzondere verschijningsvorm van bedrog eveneens aanwezig zijn. Er moet sprake zijn van een kwaadwillig handelen, zijnde: ‘met de bedoeling om de vrije wil van de beschikker te beïnvloeden’.
3. Ten slotte moet er ook een causaliteit zijn tussen de uiteindelijke gift en de beïnvloeding: ‘een gift die hij anders klaarblijkelijk niet zou hebben gedaan.’

In de praktijk merken wij vaak dat het sprokkelen van het nodige bewijs over het hoofd wordt gezien. Het zal immers van belang zijn om voldoende bewijzen te kunnen aanleveren van het materiële element – en vaak nog moeilijker – van het morele element.

De boodschap is om bij deze bewijsgaring niet te wachten tot na het overlijden van de erflater, maar reeds op het ogenblik dat de feitelijkheden zich voordoen (bijvoorbeeld het isoleren van de erflater) zoveel mogelijk stavingstukken aan te leggen.

Net het feit dat degene die het bewijs moet leveren vaak wordt weggehouden van de erflater, maakt dit bewijs moeilijk. Al zal ook het bewijs van ‘het worden weggehouden’ van de erflater op zich ook al dienend zijn.

En natuurlijk is niet elke ongelijke vererving of zelfs onterving het bewijs van erfenisbejaging. Handelen uit oprechte genegenheid met een bevoordeling tot gevolg, vormt dan ook geen probleem.

Het is dus belangrijk om elk dossier grondig te analyseren alvorens een erfenisprocedure wordt opgestart.

En tot slot nog dit. Indien u reeds bij leven merkt dat er misbruik wordt gemaakt van de zwakheid van de toekomstige erflater, zal het eveneens aangewezen zijn desgevallend reeds preventief maatregelen trachten te nemen.

Maarten Lefever (lefever@deknudtnelis.be)
Guillaume Deknudt (deknudt@deknudtnelis.be)

Kunnen privéclaims uw vennootschapsvermogen ‘enteren’? Cassatie nuanceert bij arresten van 14 februari en 2 mei 2025 inzake alimentatie

Al te vaak wordt ervan uitgegaan dat een vennootschap kan dienen als een soort ‘schaduwvloot’ om claims die u oploopt in uw privésfeer af te houden. Er worden dan nauwelijks uitkeringen gedaan richting het privévermogen van de bestuurder/aandeelhouder en alles blijft opgepot in de vennootschap.

Met een arrest van 21 oktober 2025 bevestigde het Hof van Cassatie nog dat dit zelfs een bedrieglijk bewerken van onvermogen kan inhouden in de zin van art. 490bis Strafwetboek. Volgens Cassatie kan bedrieglijk onvermogen immers ook het bedrieglijk tegengaan van de aangroei van vermogen betreffen, door enkel een beperkte verloning uit te keren die niet in redelijke verhouding staat tot iemands verantwoordelijkheden binnen de vennootschap, het vermogen of de resultaten van die vennootschappen en iemands minimale financiële behoeften.

Maar ook in de sfeer van het familiaal vermogensrecht kan de vennootschap niet zomaar als een oninneembaar fort worden benaderd.

Zo werd er in 2018 in de wet een vergoedingscorrectie ingeschreven indien een echtgenoot zijn of haar beroep uitoefent binnen het kader van een eigen vennootschap, zodat het eigen vermogen van de beroepsactieve echtgenoot een vergoeding is verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen voor de netto beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen een vennootschap was uitgeoefend (art. 2.3.44, derde lid B.W.).

Met twee arresten, van 14 februari en 2 mei 2025, nuanceert het Hof van Cassatie ook inzake alimentatievorderingen de krijtlijnen waarbinnen het vennootschapsscherm kan worden doorprikt. In geschillen over onderhoudsbijdragen rijst immers vaak de vraag in welke mate inkomsten, die door een onderhoudsplichtige worden verkregen binnen een vennootschap, kunnen worden toegerekend aan die onderhoudsplichtige ouder of (ex-)partner.

In beide arresten oordeelt het Hof:
“Bij het bepalen van de bijdrage van de ouders in de kosten voor hun kinderen kan de rechter rekening houden met inkomsten die een ouder als titularis van een vennootschap zich redelijkerwijze kon verschaffen. Zo kan de alimentatierechter rekening houden met de winsten van een vennootschap waarvan een ouder bestuurder of aandeelhouder is, ingeval die winsten, zonder bedrijfseconomische noodzaak, als reserve in de vennootschap werden aangehouden en niet bij wijze van vergoeding of dividend aan de ouder werden uitgekeerd, terwijl die ouder anders kon beslissen.”

Het is dus facultatief voor de onderhoudsrechter om het scherm van de vennootschap te doorprikken en bovendien moet de rechter zich ook terughoudend opstellen ten opzichte van de vennootschap. Enkel als er redelijkerwijze een uitkering kon zijn omwille van het feit dat er geen bedrijfseconomische noodzaak bestond om de fondsen binnen de vennootschap te houden, kan er rekening mee worden gehouden in het kader van alimentatievorderingen. Ten slotte moet de onderhoudsplichtige zelf ook ‘aan het roer staan’ in de vennootschap gelet op de vennootschapsrechtelijke spelregels ter zake.

Bij arrest van 14 februari 2025 werd een arrest van het hof van beroep te Brussel verbroken omdat het hof van beroep volgens Cassatie te voortvarend had geoordeeld. Het Hof van Cassatie oordeelt meer bepaald dat er niet was nagegaan welk deel van de inkomsten de onderhoudsplichtige zich redelijkerwijze kon verschaffen rekening houdend met voormelde bedrijfseconomische noodzaak binnen de vennootschap.

In het arrest van 2 mei 2025 verbrak het Hof van Cassatie (wederom) een arrest van het hof van beroep te Brussel omwille van het feit dat er niet werd nagegaan of er anders kon worden beslist gelet op de wettelijke en statutaire spelregels binnen de vennootschap.

Kortom, met de arresten van 14 februari en 2 mei 2025 bevestigt en verfijnt het Hof van Cassatie zijn eerdere rechtspraak over de doorbreking van de rechtspersoonlijkheid in alimentatiezaken. De economische realiteit kan volgens het Hof primeren, maar steeds binnen de grenzen van de redelijkheid en met respect voor het vennootschapsbeleid en de vennootschapsrechtelijke spelregels. De doorprikking van het vennootschapsschild blijft dus een uitzonderlijk gegeven en de huidige rechtspraak is geen vrijgeleide om vennootschappen structureel te negeren in familiale geschillen.

Annelies Maeckelbergh (maeckelbergh@deknudtnelis.be)
Guillaume Deknudt (deknudt@deknudtnelis.be)

Geplande hervormingen van het gunstregime voor familiale vennootschappen

Op 24 oktober 2025 heeft de Vlaamse Regering het ontwerp van Programmadecreet bij de begroting 2026 ingediend bij het Vlaams Parlement. De voornaamste wijziging ten aanzien van het voorontwerp van Programmadecreet van 3 oktober 2025 situeert zich op het vlak van de overdracht van familiale vennootschappen die residentieel vastgoed aanhouden. Hierna schetsen wij beknopt de huidige regeling en vervolgens de geplande hervormingen.

1. Actueel gunstregime voor familiale vennootschappen

Al vele jaren kunnen familiale vennootschappen in het Vlaams Gewest onder bepaalde voorwaarden geschonken worden of vererven aan een gunsttarief van 0% in de schenkbelasting en van 3% of 7% in de erfbelasting.

Eén van de voorwaarden om van dit gunsttarief te kunnen genieten is dat de familiale vennootschap een ‘reële economische activiteit’ uitoefent. Op heden geldt het (weerlegbaar) decretaal vermoeden dat een vennootschap geen reële economische activiteit heeft indien voldaan is aan twee boekhoudkundige parameters, te weten indien de vennootschap in minstens één van de drie boekjaren voorafgaand aan de schenking/het overlijden terreinen en gebouwen bezit die 50% van haar balanstotaal overstijgen én cumulatief de post ‘bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen’ gelijk of lager is dan 1,5% van haar balanstotaal.

Vlabel neemt klassiek het standpunt in dat dit decretaal vermoeden niet kan worden weerlegd indien de vennootschap niet-bedrijfsgerelateerd vastgoed aanhoudt. Deze restrictieve interpretatie van Vlabel is intussen achterhaald, onder meer doordat het hof van beroep te Gent in het befaamde ‘Beenhouwerij-arrest’ van 1 juni 2021 oordeelde dat het aanhouden van niet-bedrijfsgerelateerd vastgoed het weerleggen van het vermoeden en dus de toepassing van het gunstregime voor familiale vennootschappen niet verhindert. Sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 maart 2023 staat vast dat wanneer het (tegen)bewijs van een reële economische activiteit door de belastingplichtige wordt geleverd, het gunsttarief in principe op de gehele waarde van de aandelen kan worden genoten, ook indien de vennootschap private onroerende goederen bezit die niet ten dienste staan van de kwalificerende activiteit.

2. Geplande decretale wijzigingen

a) Voorontwerp van Programmadecreet bij de begroting 2026 van 3 oktober 2025

Volgens de Vlaamse Regering is het geenszins de bedoeling dat zuiver privaat patrimonium onder het gunstregime voor familiale vennootschappen wordt overgedragen. Het voorontwerp voorzag daarom onder meer de volgende aanpassingen:
• Onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd (inclusief bouwgronden) worden expliciet rechtstreeks uitgesloten van het gunstregime. Het gunsttarief wordt niet langer toegepast in de mate dat dit ‘uitgesloten vastgoed’ wordt gereflecteerd in de waarde van de aandelen van de familiale vennootschap. Hetzelfde geldt voor uitgesloten vastgoed dat toebehoort aan een vennootschap waarin de familiale vennootschap (holding) rechtstreeks of onrechtstreeks een participatie van minstens 10% aanhoudt;
• Het bepalen van de mate waarin dit ‘uitgesloten vastgoed’ wordt gereflecteerd in de waarde van de aandelen van de vennootschap moet verplicht gebeuren met een verslag van een gecertificeerde accountant of een bedrijfsrevisor (die niet de commissaris is). Vlabel zal voortaan in haar voorafgaande attesten kunnen bevestigen dat deze waardering van de accountant of bedrijfsrevisor correct is;
• Gelet op de rechtstreekse uitsluiting van residentieel vastgoed en bouwgronden, worden de twee voormelde boekhoudkundige parameters geschrapt.

b) Ontwerp van Programmadecreet bij de begroting 2026 van 24 oktober 2025

De belangrijkste wijziging in het definitieve ontwerp ten opzichte van het voorontwerp is dat een uitzondering wordt voorzien voor familiale vennootschappen die actief en op professionele wijze in residentieel vastgoed opereren. Om deze uitzondering te kunnen genieten, gelden cumulatief de volgende voorwaarden:
i) De omzet van de familiale vennootschap wordt voor minstens 75% gegenereerd uit een reële economische activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd en die een louter beheer van dergelijke goederen overstijgt, én;
ii) De vennootschap moet bovendien minstens één tewerkgestelde werknemer (in voltijdse eenheden) tellen en dit zowel gedurende drie jaar voor als drie jaar na de overdracht.

Hoewel de toevoeging van deze uitzondering kan worden toegejuicht, vergen bepaalde aspecten nadere uitwerking. Zo wordt onder meer niet gespecifieerd in welke referentieperiode de 75%-omzetdrempel moet worden behaald en wordt niet verduidelijkt hoe deze drempel moet worden berekend in geval van complexe holdingstructuren. Wordt de omzetdrempel desgevallend toegepast op de geconsolideerde omzet van de groep dan wel per dochtervennootschap afzonderlijk? Of wordt daarentegen enkel naar de activiteit van de holding zelf gekeken? En wat met professionele vastgoedvennootschappen met personeel die zowel in commercieel als in residentieel vastgoed actief zijn? Dergelijke vennootschappen dreigen (deels?) uit de boot te vallen vermits de omzet die voortvloeit uit het commercieel vastgoed niet lijkt mee te tellen bij de berekening van de 75%-drempel.

c) Inwerkingtreding

Het decreet treedt in principe op 1 januari 2026 in werking en zal van toepassing zijn op alle schenkingsakten die vanaf die datum worden verleden en op alle nalatenschappen die vanaf dan openvallen.

Let wel, het ontwerp van Programmadecreet ligt momenteel ter tafel bij het Vlaams Parlement en kan dus nog gewijzigd worden. Wij volgen dit verder nauwgezet op.

Wie nog onder het huidige gunstregime zijn familiale vennootschap wil schenken, onderneemt dus best zo snel mogelijk actie. Rekening houdend met de toestroom aan aanvragen voor testattesten, is de kans evenwel reëel dat dergelijke schenking zonder attest zal moeten gebeuren en dus zonder de zekerheid dat Vlabel akkoord gaat met de kwalificatie als familiale vennootschap.

Marlon Baelde (baelde@deknudtnelis.be)

De Scheidingswijzer

Een echtscheiding is een ingrijpende gebeurtenis die gepaard gaat met veel vragen, emoties en juridische beslissingen. In deze nieuwsbrief belichten wij vier essentiële onderwerpen die van belang zijn voor iedereen die met een echtscheiding te maken heeft – nu of in de toekomst.

De ins en outs van de persoonlijke onderhoudsbijdrage na echtscheiding

Eén van de meest gestelde vragen bij een echtscheiding is: wie heeft recht op een onderhoudsbijdrage en hoe wordt die bepaald? In deze bijdrage geven we een overzicht van de wettelijke principes rond de persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding. We bespreken wie aanspraak kan maken op een bijdrage, hoe de hoogte en duur worden vastgesteld, en welke uitzonderingen en fiscale regels van toepassing zijn.

Lees meer.

Praktische checklist voor regeling kinderen bij echtscheiding

Bij een breuk tussen ouders ontstaat er vaak discussie over de kinderen. Er moeten tal van afspraken gemaakt worden rond onder meer het verblijf van de kinderen, de betaling van de kosten,… In deze bijdrage zetten we de belangrijkste regels hieromtrent uiteen.

Lees meer.

Wat na de breuk? De vereffening-verdeling na echtscheiding uitgelegd

Na een echtscheiding moeten ook juridische en financiële knopen worden doorgehakt. Een belangrijke stap is de vereffening-verdeling van het gemeenschappelijk of onverdeeld vermogen van de ex-echtgenoten. In deze bijdrage wordt uitgelegd hoe de procedure vereffening-verdeling verloopt, welke stappen worden doorlopen en waarom professionele begeleiding vaak onmisbaar is.

Lees meer.

Vergoedingen in het wettelijk stelsel

Veel koppels zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel, waarbij vermogensverschuivingen tussen hen beide vaak tot discussies leiden bij een echtscheiding. Sinds 2018 voorziet de wet in een specifieke vergoedingsplicht voor echtgenoten die hun beroepsactiviteit uitoefenen via een eigen vennootschap. In deze bijdrage wordt toegelicht wanneer deze vergoedingsplicht geldt, welke voorwaarden van toepassing zijn en waarom dit onderwerp – zeker voor ondernemers en hun kinderen – bijzondere aandacht verdient bij het opstellen van een huwelijkscontract.

Lees meer.

Annelies Maeckelbergh (maeckelbergh@deknudtnelis.be)

Regularisatie opnieuw mogelijk: EBAquinquies van start!

Algemeen kader

Sinds begin augustus is het opnieuw mogelijk om een regularisatie door te voeren van vermogen dat in het verleden zijn fiscaal regime niet of niet volledig heeft ondergaan. De Programmawet van 18 juli 2025 voerde immers een nieuwe regularisatiewetgeving in (de vijfde al sinds in 2004 de eerste Eenmalige Bevrijdende Aangifte (EBA) werd ingevoerd en in de praktijk daarom “EBAquinquies” genoemd) en de nieuwe aangifteformulieren zijn sinds 8 augustus beschikbaar. Voor deze nieuwe wetgeving werd geen eindpunt bepaald, dus zij blijft bestaan tot de wetgever later ooit zou beslissen om deze op te heffen.

Eindelijk. Sinds de vorige regularisatiewetgeving (de zogenaamde “EBAquater”) op 31 december 2023 een einde had genomen, was het praktisch gezien onmogelijk om nog vrijwillig een regularisatie door te voeren. De idee bij afloop van de EBAquater was dat er een nieuwe regularisatiemogelijkheid zou worden gecreëerd bij de parketten maar de Circulaire die hiertoe in een uniform kader zou moeten voorzien is er nooit gekomen. De belastingplichtigen die na 31 december 2023 vrijwillig tot regularisatie wilden overgaan, konden dit dus gewoonweg niet.

En er zijn nog heel wat dossiers waar een regularisatie zich opdringt. De laatste jaren wordt immers veel meer de focus gelegd op de mogelijkheid dat er een witwasmisdrijf kan gepleegd worden als men handelingen stelt met een vermogen dat deels bestaat uit niet betaalde belastingen. Dit kan ook het geval zijn als deze niet betaalde belastingen al heel lang geleden hadden betaald moeten zijn (en de inbreuken dus fiscaal al lang verjaard zijn) en/of indien het gaat om belastingen die door de rechtsvoorganger (erflater of schenker) hadden betaald moeten zijn. Ook tussenpersonen (zoals banken) kunnen hiermee problemen krijgen. We zien in de praktijk dan ook dat het vooral banken zijn die aandringen op een regularisatie alvorens zij fondsen aanvaarden. Dat er in het verleden reeds een regularisatie heeft plaatsgevonden, zal hierbij dan vaak enkel volstaan als deze regularisatie alle fiscale latenties dekt waarmee het vermogen is behept. Bemerk hierbij dat de meeste regularisaties onder de EBAbis-wetgeving werden doorgevoerd, dewelke afliep in 2013 en waarbij er meestal slechts werd geregulariseerd voor de fiscaal niet-verjaarde periode (in principe 7 jaar). Dergelijke regularisaties dienen de laatste jaren vaak op vraag van de bank te worden aangevuld met een nieuwe regularisatie die ook de oudere fiscale zonden afdekt.

EBAquinquies = EBA quater. Maar duurder…

De nieuwe regularisatiewetgeving is zo goed als identiek aan haar voorganger.

Belangrijkste verschilpunt onder de EBAquinquies is dat de tarieven zijn verhoogd.
Voor fiscaal niet-verjaarde inkomsten dient de ontdoken belasting te worden betaald, verhoogd met een boete van 30%, daar waar deze boete onder de EBAquater nog 25% bedroeg. Voor fiscaal verjaard kapitaal bedraagt de heffing voortaan 45%; onder de vorige wetgeving was dit nog 40%.

Het sterk bekritiseerde principe dat het volledige vermogen waarvan men de regularisatie beoogt aan de voorziene heffingen dient te worden onderworpen, behoudens indien de belastingplichtige (met in beginsel schriftelijk bewijs) aantoont dat het wel degelijk zijn fiscaal regime heeft ondergaan, blijft gewoon bestaan. Deze omkering van de bewijslast zorgt er in de praktijk voor dat zeker waar het gaat om oudere vermogens, het niet zo evident is om grote delen van het vermogen buiten de regularisatieheffing te houden. Al dient het wel te worden gezegd dat het Contactpunt Regularisaties onder de EBAquater en zeker in de laatste jaren dat deze in voege was, vaak haar best deed om dit principe waar mogelijk met een zekere redelijkheid in te vullen. Hopelijk zal dit onder de EBAquinquies niet anders zijn. We gaan er hierbij overigens ook vanuit dat het opnieuw mogelijk zal zijn om voorafgaandelijk aan de indiening van een dossier met het Contactpunt Regularisaties af te toetsen hoe zij een concreet dossier bij indiening zullen behandelen. Aldus kan de belastingplichtige indien gewenst de bewijzen dat er effectief belastingheffing is geweest in het verleden eerst anoniem laten beoordelen door het Contactpunt. Vervolgens kan in functie van hetgeen het Contactpunt hieromtrent oordeelt worden beslist om al dan niet tot indiening van het regularisatiedossier over te gaan.

De op basis van het regeerakkoord De Wever I verwachte gunstigere regularisatiemogelijkheden voor begiftigden en erfgenamen te goeder trouw werden in de finale wet helaas niet opgenomen

Voorlopig enkel federale belastingen

De Programmawet van 18 juli 2025 voorziet enkel in de mogelijkheid om niet betaalde federale belastingen (in de praktijk vooral inkomstenbelastingen en BTW) te regulariseren. De gewesten werken evenwel aan een soortgelijke wetgeving die (naar verwachting tegen het jaareinde) ook moet toelaten om gewestelijke belastingen (in de praktijk vooral successierechten) te regulariseren. Ook zal er nog een samenwerkingsovereenkomst volgen tussen de federale overheid en de gewesten voor gemengde dossiers.

Bemerk evenwel dat het in het Vlaams Gewest op heden nog steeds mogelijk is om een spontane rechtzetting te doen van niet betaalde erfbelasting bij de Vlaamse Belastingdienst. Hierbij wordt uitgegaan van een belasting aan het destijds van toepassing zijnde tarief waarop een boete van 20% wordt toegepast (dus bv. een belasting aan een tarief van 27% leidt tot een totaal te betalen bedrag van 32,4%). Dit is allicht in heel wat dossiers interessanter dat hetgeen de nieuwe Vlaamse regularisatiewetgeving zal voorzien, ook al geeft een spontane rechtzetting bij de Vlaamse Belastingdienst formeel geen strafrechtelijke immuniteit.

Conclusie

Het goede nieuws is dat er eindelijk opnieuw spontaan tot regularisatie kan worden overgegaan. Dat werd dringend tijd en laat toe om heel wat dossiers die al lang in de wachtkamer zitten te deblokkeren.

Het kan evenwel betreurd worden dat de wetgever niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om de pijnpunten van de vorige wetgeving te remediëren. We denken hierbij onder meer aan het gegeven dat er voor álle verjaarde belastingen eenzelfde tarief blijft gelden, dat bovendien van 40% naar 45% is gebracht. Dit is zwaar om dragen voor diegenen die bijvoorbeeld destijds louter of in hoofdzaak geen intresten hebben aangegeven (lange tijd slechts belast aan 15%). Maar ook het onverkort en ongewijzigd voortbestaan van de omkering van de bewijslast is erg jammer. Laten we hopen dat het Contactpunt Regularisaties dit principe op een zo redelijk mogelijke manier zal invullen.

Sven Nelis (nelis@deknudtnelis.be)
Guillaume Deknudt (deknudt@deknudtnelis.be)

Gunstregime familiale vennootschappen – intragroepsdiensten: hoe concreet moet het worden?

“Familiale vennootschappen” kunnen onder bepaalde voorwaarden vererven of geschonken worden aan een gunsttarief (3% dan wel 7% in de erfbelasting en 0% in de schenkbelasting).

Het hof van beroep te Gent heeft zich recent, in een arrest van 1 oktober 2024, uitgesproken over de toepassing van dit gunstregime m.b.t. een zogenaamde holdingvennootschap die intragroepsdiensten verricht.

In het concrete geval werd de belastingplichtigen het verlaagd tarief in de erfbelasting niet gegund. Het hof oordeelde dat de intragroepsdienstverlening te vaag en te algemeen bleef. Concretiseren en detailleren is aldus de boodschap.

Even meer in detail.

Om van het gunstregime te kunnen genieten is onder meer vereist dat de vennootschap
(i) een nijverheid-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit of vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent én
(ii) een reële economische activiteit heeft. Er is een negatief vermoeden dat de vennootschap geen reële economische activiteit heeft indien zij in minstens één van de drie boekjaren voorafgaand aan het overlijden/de schenking terreinen en gebouwen heeft die 50% van haar balanstotaal overstijgen én cumulatief de post bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen gelijk of lager is dan 1,5% van haar balanstotaal.

In de casus waarover het hof in het arrest van 1 oktober 2024 heeft geoordeeld, claimden de belastingplichtigen voor de vererving van de betreffende holdingvennootschap de toepassing van het gunstregime omdat deze holding naast het aanhouden van participaties in onderliggende vennootschappen tevens intragroepsdiensten zou verrichten. De holdingvennootschap in kwestie viel niet onder het voormelde negatief vermoeden van ‘geen reële economische activiteit’.

Vooreerst benadrukt het hof dat de voorwaarden inzake de activiteit van de vennootschap weldegelijk twee onderscheiden voorwaarden zijn. Het louter niet gevat worden door het negatieve vermoeden inzake ‘geen reële economische activiteit’ (finaliteit van de activiteit) volstaat niet om te kwalificeren als familiale vennootschap. Er dient nog steeds aangetoond te worden dat er een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit of vrij beroep wordt uitgeoefend (aard van de activiteit). De belastingplichtige draagt hier duidelijk de bewijslast, aldus het hof van beroep.

Daarnaast wordt in het arrest het principe bevestigd dat holdings, die het louter passief beheer van hun participaties overstijgen door het uitoefenen van een daadwerkelijke operationele of economische activiteit weldegelijk zelf (op zelfstandige basis en niet via de participatie in actieve dochtervennootschappen) kunnen kwalificeren als familiale vennootschap. Onder bepaalde voorwaarden kan dergelijke exploitatie bestaan uit het verlenen van intragroepsdiensten. Het hof verwijst als vorm van operationele activiteit zelfs naar het actief uitoefenen van bestuurstaken en het actief voeren van beleid en controle.

In de zaak waarover het hof zich diende uit te spreken oordeelde het hof echter dat de bijgebrachte stukken en argumenten niet volstaan om de aanwezigheid van afdoende intragroepsdiensten te bewijzen.

Het hof besliste dat het gunstregime niet van toepassing was omdat naar zijn oordeel ieder bewijs van de concrete diensten die de holding zou hebben verricht voor de groepsvennootschappen zou ontbreken. De voorgelegde dienstverleningsovereenkomsten en facturatie waren volgens het hof te vaag en te algemeen. Negatief element dat in de concrete casus wellicht ook meespeelde is dat de overeenkomsten en facturatie dateerden van 2020, terwijl de boekjaren relevant voor de toekenning van het gunstregime 2017, 2018 en 2019 waren. Dat één en ander een bestendiging/formalisering van de praktijk in de voorgaande jaren was, overtuigde het hof niet.

In ieder geval maant dit arrest van het hof van beroep te Gent belastingplichtigen, die het gunstregime willen claimen op niveau van de holdingvennootschap zelf aan om bijzonder diligent te zijn bij het verlenen van intragroepsdiensten en daarbij zeer adequaat te voorzien in concrete en gedetailleerde documentatie en schriftelijke staving van de verrichte diensten.

Een holding als zodanig laten kwalificeren voor het gunstregime door deze intragroepsdiensten te laten verrichten vergt aldus een doordachte organisatie en afdoende schriftelijke onderbouwing hiervan. De aanvraag van een testattest om het oordeel van Vlabel te kennen met betrekking tot een concrete situatie, kan hierbij ook een interessante piste zijn.

Eveline Van De Gejuchte (vandegejuchte@deknudtnelis.be)

Ongewenste gevolgen bij echtscheiding ingevolge fiscale optimalisatie vennootschap

Het hof van beroep van Gent sprak zich in een arrest van 25 mei 2023 uit over de gevolgen van een dividenduitkering met onmiddellijke incorporatie van deze dividenden in het kapitaal (toepassing van de vroegere overgangsmaatregel ex art. 537 WIB voor historisch belaste reserves die ten laatste waren goedgekeurd op 31 maart 2013). Via deze maatregel konden vennootschappen hun reserves als dividenden uitkeren en dan vastklikken in het kapitaal tegen een onmiddellijke betaling van 10% roerende voorheffing. Na een wachttermijn konden de vennootschappen deze vastgeklikte reserves belastingvrij uitkeren middels kapitaalvermindering.

De feiten deden zich, samengevat, als volgt voor:
– de echtgenoten waren in 2007 gehuwd onder het wettelijk stelsel;
– de aandelen van de betreffende vennootschap behoorden voor het overgrote aantal toe aan de echtgenoot (voorhuwelijkse verkrijging);
– in 2014 werd toepassing gemaakt van voormeld fiscaal gunstig overgangsregime waarbij de dividenduitkering en kapitaalverhoging klaarblijkelijk betrekking hadden op grotendeels voorhuwelijks opgebouwde reserves;
– bij de kapitaalverhoging werden geen nieuwe aandelen uitgegeven;
– op 28 november 2018 initieert de echtgenote de echtscheiding.

Er wordt in het kader van de vereffening-verdeling na echtscheiding betwisting gevoerd omtrent het eigendomsstatuut van de aandelen van de vennootschap alsook omtrent de vraag in welke mate er een vergoeding is verschuldigd door het eigen vermogen van de echtgenoot aan het gemeenschappelijk vermogen.

Het hof van beroep bevestigt terecht dat de aandelen (die dus voorhuwelijks waren) eigen zijn en blijven van de echtgenoot. De kapitaalverhoging zonder uitgifte van nieuwe aandelen verandert immers niets aan het statuut van de aandelen zelf.

Anders dan de eerste rechter, doch wel in lijn met de visie van de notaris-vereffenaar, stelt het hof dat er wel een vergoeding is verschuldigd door het eigen vermogen van de echtgenoot aan het gemeenschappelijk vermogen. Volgens het hof ligt er vooreerst wel degelijk een dividenduitkering voor, die gemeenschappelijk is (art. 1405, 2° oud BW). Deze gemeenschappelijke dividenden zijn vervolgens geïncorporeerd in het kapitaal van de (grotendeels) eigen vennootschap van de echtgenoot. Het hof overweegt vervolgens dat de echtgenoot persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen, zodat bij toepassing van art. 1432 oud BW een vergoeding is verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen voor de bedragen die hij uit dit vermogen heeft opgenomen: “Door deze kapitaalverhoging zijn de tot zijn eigen vermogen behorende vijfhonderddrieënveertig aandelen onmiskenbaar in waarde toegenomen”. Het hof van beroep oordeelt vervolgens dat de vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen overeenstemt met het bedrag van het netto-dividend uitgekeerd aan de echtgenoot dat werd aangewend voor de kapitaalverhoging.

Er zijn een aantal kanttekeningen te plaatsen bij het oordeel van het hof:

1) Vooreerst zou men zich kunnen afvragen of in casu zomaar alle dividenden als een vrucht toekomende aan het gemeenschappelijk vermogen kunnen worden beoordeeld, vermits het hof zelf opmerkt dat de reserves die aan de basis van het dividend liggen grotendeels voorhuwelijks zijn. Artikel 1405, 2° oud BW bepaalt weliswaar dat “de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen vermogen” gemeenschappelijk zijn, maar de reserves opgebouwd in een eigen vennootschap zijn principieel eigen (zie evenwel hierna). Waren deze reserves rechtstreeks geïncorporeerd in het kapitaal, dan zou er in principe van een vergoeding geen sprake zijn.

In dit verband kan men ook verwijzen naar de ratio legis (met name correcte beroepsinkomstenallocatie en neutraliteit van de beroepsuitoefening via een vennootschap) van de wettelijke regeling die in 2018 werd ingevoerd bij de wijziging van het huwelijksvermogensrecht in art. 1432, tweede lid oud BW (thans art. 2.3.44, 2de lid BW):

“De echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem eigen zijn, is aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd voor de netto beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen die vennootschap was uitgeoefend.”

Belangrijk hierbij is evenwel dat de reserves waarover het in voorliggend geval gaat, alle dateren van voor deze wetswijziging en dus geen aanleiding kunnen geven tot vergoeding op basis van deze wetsbepaling. Maar ook bij toepassing van deze wetsbepaling moet worden bemerkt dat het gemeenschappelijk vermogen deze reserves niet had kunnen ontvangen in de mate ze voorhuwelijks waren.

Het hof oordeelt desalniettemin dat de dividenden integraal gemeenschappelijke vruchten uitmaken, ongeacht op welke reserves (voorhuwelijks of niet) de uitkering betrekking heeft.

2) Daarnaast splitst het hof de opeenvolgende operaties van dividenduitkering en kapitaalverhoging heel strikt op. Het is nog maar de vraag of de beide stappen niet toch als één operatie in zijn geheel moeten worden bekeken en moeten worden beoordeeld rekening houdend met het eindresultaat van de gehele operatie. Denk maar bijvoorbeeld aan de vergoedingen voor investeringen gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de latere waardevermeerdering van dat goed. In voorkomend geval wordt wel rekening gehouden met de toekomstige investering in een welbepaald goed en wordt dit als één operatie gezien, ook al is dit laatste weliswaar gebaseerd op een specifieke wetsbepaling.

In dit verband oordeelt het hof dat het persoonlijk voordeel overeenstemt met de netto dividenduitkering. Is de waarde van de aandelen van de echtgenoot wel gestegen ingevolge deze operatie? De tegoeden die werden geïncorporeerd in het kapitaal waren immers kort voordien eerst uitgekeerd door diezelfde vennootschap.
In een welwillende visie zou men nog kunnen stellen dat er een waardestijging is ingevolge het feit dat er toekomstig op een meer fiscaalvriendelijke manier geld uit de vennootschap kan worden bekomen, namelijk door een kapitaalvermindering in plaats van een fiscaal duurdere dividenduitkering. Maar zelfs in deze visie kan dat bedrag onzes inziens niet gelijk zijn aan het uitgekeerde netto-dividend.
Desalniettemin is het hof wel consequent in haar redenering en door de opsplitsing van de operatie in twee stappen is de vennootschap door de incorporatie van de eerder uitgekeerde dividenden wel effectief in waarde gestegen ten opzichte van het ogenblik vlak na de uitkering van de dividenden en dit ten belope van het netto-dividend.

3) Indien men ten slotte het voormelde punt niet zou kunnen volgen, dan valt er misschien wel wat te zeggen voor het feit dat ook de echtgenoot een vergoeding vorderde van het gemeenschappelijke vermogen. De gemeenschap heeft immers voordeel genoten uit zijn eigen reserves. Maar dan zijn we in feite weer aanbeland bij ons eerste hoger vermelde punt (zijn de dividenden in casu wel gemeenschappelijk gelet op de onderliggende voorhuwelijkse reserves). In elk geval werd deze tegenvordering (wederom in een consequente redenering) door het hof afgewezen.

Hoe dan ook volgt uit deze rechtspraak duidelijk dat voorzichtigheid geboden is bij het doorvoeren van fiscale optimalisaties indien de echtgenoten gehuwd zijn onder een gemeenschapsstelsel. Ook bij de huidige regeling van liquidatiereserves kunnen soortgelijke discussies spelen bij echtscheiding.

Een anticipatieve wijziging van het huwelijkscontract kan desgevallend soelaas brengen. Ook voor de vergoedingsrekeningen van art. 2.3.44, 2de lid BW (zie hierboven) voor de beroepsinkomsten die de gemeenschap heeft gederfd, is een modalisering in het huwelijkscontract mogelijks aangewezen.

Bezint dus eer ge begint (aan optimalisaties in uw vennootschap onder het wettelijk stelsel)!

Annelies Maeckelbergh (maeckelbergh@deknudtnelis.be)
Guillaume Deknudt (deknudt@deknudtnelis.be)

De nieuwe regering brengt ook vernieuwing op het vlak van echtscheidingen

De langverwachte regering De Wever I morrelt niet alleen aan uw pensioenen en meerwaarden, maar wil ook voor een eenvoudigere en kindvriendelijkere echtscheiding zorgen.

In het regeerakkoord staat omtrent echtscheidingen alvast het volgende te lezen:

1. De regering wil het wettelijk mogelijk maken om een echtscheiding onderlinge toestemming (EOT), die is opgesteld door een advocaat of notaris, te laten akteren door een ambtenaar van de burgerlijke stand (in plaats van door de familierechter), in de mate er geen kinderen betrokken zijn waarvoor de wet een regeling vereist. Dit zou de druk op de familierechtbanken moeten verlichten.
2. Er wordt verder ingezet op de uitrol van een ouderschapsplan, waarin ouders bij echtscheiding zoveel als mogelijk afspraken kunnen maken over de verdere opvoeding van hun kinderen.
3. De werking van de familierechtbanken zal worden versterkt.
4. De wetgeving rond videoconferenties wordt aangepast, zodat familierechters hiervan in principe worden uitgesloten, tenzij de partijen hierom uitdrukkelijk verzoeken.
5. De regering wil ervoor zorgen dat kinderen in een kindvriendelijke omgeving kunnen worden gehoord in rechtszaken die hen aanbelangen (zoals over hun verblijfsregeling). Het gesprek moet op maat van het kind plaatsvinden en het kind krijgt doorheen het ganse proces voldoende informatie. Bij voorkeur wordt het kind bijgestaan door een advocaat die hiertoe een bijzondere opleiding gevolgd heeft. De regeling die thans als proefproject loopt binnen de familierechtbank te Gent wordt verder uitgerold in andere rechtbanken.
6. De aftrekbaarheid van onderhoudsuitkeringen zal gradueel dalen van 80% naar 50%. Uitkeringen naar landen buiten de EER zullen niet langer aftrekbaar zijn. Er wordt in het regeerakkoord geen melding gemaakt van wijzigingen inzake de taxatie van ontvangen onderhoudsuitkeringen bij de onderhoudsgerechtigde, zodat de vraag kan gesteld worden of de belastbaarheid bij de onderhoudsgerechtigde al dan niet simultaan zal wijzigen. Deze fiscale maatregel zou in 2026 worden ingevoerd.
7. De regering wil wanbetalingen rond onderhoudsuitkeringen aanpakken. De slagkracht van de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO) wordt versterkt door deze in staat te stellen om het bedrag van de alimentatie automatisch aan de bron af te houden van de inkomsten van de onderhoudsplichtige ouder. Ook wordt onder meer de mogelijkheid bekeken om het onderhoudsgeld terug te vorderen via de belastingen.
8. Partners worden gestimuleerd om in hun huwelijkscontract of wettelijk samenlevingscontract een pensioensplit te voorzien voor het geval van een (echt)scheiding.

De datum van inwerkingtreding is thans nog niet bekend. Het is momenteel wachten op de ontwerpteksten die deze punten de komende maanden of jaren verder zullen uitwerken.

Annelies Maeckelbergh (maeckelbergh@deknudtnelis.be)