Uitoefening keuzebeding heeft geen fiscale impact

In een recent arrest van het Hof van Cassatie (F.18.0089.N/1) van 28 november 2019 diende het Hof zich uit te spreken over de fiscale uitwerking van een keuzebeding.

Op basis van een keuzebeding in het huwelijkscontract had de langstlevende de keuze om ‘haar’ helft in volle eigendom samen te stellen met de voor haar gewenste goederen zodat het vruchtgebruik van de langstlevende over de andere helft de overige niet-gekozen goederen zou betreffen. De langstlevende oefende in 2011 die keuze effectief uit zodat – naar uit het arrest kan worden afgeleid – onder de helft vruchtgebruik enkel vrijgestelde aandelen van een familiale vennootschap terechtkwamen alsook een beperkt percentage van de onroerende goederen.

Het hof van beroep te Gent had geoordeeld dat de langstlevende niet kan worden belast op de waarde van de goederen die zij gekozen had in volle eigendom, omdat die goederen in ‘haar’ eigen helft vielen. Enkel op de goederen die zij in vruchtgebruik had gekozen, kon er aldus het hof van beroep worden getaxeerd.

Het Hof van Cassatie wees vooreerst op de (oude) artikelen 5 en 48 Vl. W. Succ. waarbij het volgende werd bepaald.

Ingevolge (oud) art. 5 Vl. W.Succ. wordt de langstlevende belast zo via huwelijksovereenkomst (die niet aan de regelen van de schenkingen is onderworpen) meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen wordt bekomen. De langstlevende wordt ingevolge voormeld artikel “…gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

Uit (oud) art. 48 §2 Vl. W. Succ. volgt dan dat de tarieven per rechtverkrijgende moeten worden toegepast op de nettoverkrijging in de roerende goederen enerzijds en onroerende goederen anderzijds.

Uit deze bepalingen volgt, aldus het Hof van Cassatie dat “de overlevende echtgenoot die ingevolge een beding van ongelijke verdeling meer in zijn kavel verkrijgt dan de helft van de gemeenschap, afzonderlijk belast wordt op de waarde van de roerende en onroerende goederen die hij meer heeft verkregen dan bij een gelijke verdeling in natura van de gemeenschap.”

Het Hof vernietigt vervolgens het arrest van het hof van beroep te Gent omdat het hof van beroep te Gent niet had nagegaan in welke mate hetgeen de langstlevende in volle eigendom dan wel in vruchtgebruik had verkregen werkelijk meer bedraagt dan de helft in enerzijds roerende goederen en anderzijds onroerende goederen.

Uit de samenlezing van voormelde artikelen (die wat dat betreft niet zijn veranderd onder de VCF, respectievelijk art. 2.7.1.0.4 en 2.7.4.1.1,§2 VCF) oordeelt het Hof van Cassatie derhalve dat de civielrechtelijke keuze in het kader van een keuzebeding, indien de langstlevende meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen kiest op basis van een huwelijksvoordeel dat niet aan de regelen van de schenkingen is onderworpen, geen invloed mag hebben op de taxatie van de specifieke goederen, mocht er geen keuze zijn gedaan.

Uit hetgeen voorafgaat volgt dat:

– Indien de langstlevende zich onder het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.4 VCF bevindt, dat de ‘opdeling’ ingevolge de afwikkeling van het huwelijksvermogensstelsel van goederen in de ‘eigen helft’ en de ‘andere helft’ voor de erfbelasting niet doorwerkt in hoofde van de langstlevende. Voor de erfbelasting wordt van alle goederen waarvan meer dan de helft wordt bekomen een proportionele opdeling toegepast tussen de ‘eigen helft’ en de ‘andere helft’. Keuzes maken om bijvoorbeeld de aandelen van een kwalificerende familiale vennootschap net niet in de ‘eigen helft’ op te nemen, maar enkel in de ‘andere helft’ te laten vallen, omdat die dan per hypothese toch aan het (per hypothese lagere) vast tarief van 3% kunnen worden getaxeerd, zullen dus geen zin hebben in hoofde van de langstlevende.

Bemerking: zoals gesteld moet art. 2.7.1.0.4 VCF wel eerst van toepassing zijn, hetgeen onzes inziens niet het geval is zodra men met een ‘inkortbaar huwelijksvoordeel’ te maken heeft, vermits de langstlevende dan niet meer dan de gemeenschap bekomt ingevolge een huwelijksvoordeel dat niet aan de regelen van de schenkingen is onderworpen… zie in dit verband tevens onze nieuwsbrief van 6 maart 2020.

– Wat de kinderen betreft die de blote eigendom erven van de ‘andere helft’ komt het ons voor dat daar niettemin voor de erfbelasting enkel gekeken wordt naar welke goederen zij werkelijk erven. Indien dus de langstlevende ervoor koos om de voormelde aandelen in de ‘andere helft’ te laten vallen waarbij de kinderen dan de blote eigendom erven, zal op die manier door de kinderen toch aan het vast tarief van 3% kunnen worden geërfd.

Tot slot met een voorbeeld. Stel bijvoorbeeld dat er twee ouders zijn en twee gemeenschappelijke kinderen en dat de gemeenschap enkel aanwinsten betreft. Er is een waarde van 50 onroerend goed (niet de gezinswoning) en 50 beleggingen. De langstlevende kiest enkel de beleggingen in ‘haar’ helft in volle eigendom. De langstlevende bekomt daarnaast derhalve vruchtgebruik op het onroerend goed. Gelet op het voorgaande zal in hoofde van de langstlevende het vruchtgebruik geacht worden te slaan op 25 onroerend goed en 25 beleggingen. De kinderen daarentegen krijgen enkel maar onroerend goed in blote eigendom zodat zij in ons voorbeeld enkel op die blote eigendom zullen worden belast.

Men zou zich nog de vraag kunnen stellen of, gelet op de fictie die toegepast wordt ten aanzien van de langstlevende, de kinderen dan moeten geacht worden (vanuit het perspectief van de erfbelasting) die onroerende goederen voor de helft in blote eigendom en voor de helft in volle eigendom te bekomen, maar onzes inziens is dit niet het geval. De fictie van art. 2.7.1.0.4 VCF werkt onzes inziens enkel ten aanzien van de langstlevende zodat de fiscale gevolgen tot die persoon moeten beperkt blijven.

Bij het voorliggen van een keuzebeding zal er dus in het kader van een successieplanning, maar ook bij het indienen van een aangifte nalatenschap bijzondere aandacht vereist zijn.

 

Guillaume Deknudt (deknudt@deknudtnelis.be)
Stéphanie Berghman (
berghman@deknudtnelis.be)

Wenst u op de hoogte te blijven? Volg Deknudt Nelis Advocaten op LinkedIn!