Er is de laatste maanden allicht over geen enkel onderwerp zoveel inkt gevloeid als over de invoering van de nieuwe meerwaardebelasting op financiële activa. Na een lange lijdensweg en heel wat controverse is de Wet tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa op 2 april 2026 (uit)eindelijk goedgekeurd door de plenaire vergadering en is deze op 21 april 2026 in het Belgisch staatsblad gepubliceerd. Ondanks de vraag van heel wat ondernemers, fiscalisten en beleggers om het e.e.a. nog aan te passen en verder te verduidelijken in de wettekst zelf, zijn er quasi geen inhoudelijke wijzigingen meer gebeurd. Wel heeft de minister getracht om zowel in het verslag van de eerste lezing als de tweede lezing nog een aantal zaken te verduidelijken. Verdere verduidelijkingen m.b.t. de concrete toepassing zouden nog volgen in een circulaire.
De nieuwe meerwaardebelasting zal van toepassing zijn op bepaalde categorieën van meerwaarden verwezenlijkt vanaf 1 januari 2026 naar aanleiding van een overdracht ten bezwarende titel buiten het kader van een beroepswerkzaamheid en binnen het kader van normaal beheer van een privévermogen. Meerwaarden verwezenlijkt in het kader van abnormaal beheer blijven dus belastbaar aan een tarief van 33% plus gemeentebelasting!
We geven hieronder een beknopt overzicht van de belangrijkste spelregels zoals vastgelegd in de finaal aangenomen wettekst.
A. Wie valt onder het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting?
De nieuwe meerwaardebelasting is van toepassing in de personenbelasting (d.w.z. op natuurlijke personen die Belgisch rijksinwoner zijn) en de rechtspersonenbelasting (namelijk op de rechtspersonen die, eenvoudig gesteld, geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden (waaronder dus de meeste VZW’s en stichtingen) behalve als ze erkend zijn om attesten uit te reiken voor giften).
In geval van gesplitste eigendom (volle eigendom – blote eigendom) worden de meerwaarden belast in hoofde van de blote eigenaar. In dit kader heeft de minister verduidelijkt dat als enkel het vruchtgebruik op een financieel actief wordt verkocht de eventuele meerwaarde niet als een belastbare meerwaarde kan worden beschouwd daar het niet de bedoeling is om de blote eigenaar in dat geval te belasten gelet op het feit dat dergelijke transactie zonder het medeweten en goedvinden van de blote eigenaar gebeurt (waarbij de vraag kan worden gesteld of hetzelfde principe geldt indien de blote eigenaar de transactie wel goedkeurt). Voormelde geldt volgens de minister eveneens bij een omzetting van het vruchtgebruik in een geldsom. De minister voegde er wel aan toe dat hij zal blijven monitoren of er via technieken inzake overdracht van vruchtgebruik geen sprake kan zijn van misbruik en artificiële ontwijking van de meerwaardebelasting.
De belasting is niet van toepassing op niet-inwoners, behoudens voor personen die uit België emigreren onder bepaalde voorwaarden (zie verder inzake de exit taks).
B. Welke meerwaarden worden er gevat?
De nieuwe meerwaardebelasting is van toepassing op drie categorieën van meerwaarden:
1) 1e categorie: interne meerwaarden
De eerste categorie van belastbare meerwaarden zijn de zogenaamde “interne meerwaarden” die worden verwezenlijkt bij de verkoop van aandelen en winstbewijzen aan een “eigen” vennootschap, d.w.z. een vennootschap waarop de overdrager alleen of samen met naaste familieleden rechtstreeks of onrechtstreeks controle uitoefent. Onder naaste familieleden worden begrepen de echtgenoot van de overdrager, de afstammelingen, de ascendenten en de zijverwanten tot en met de 2de graad en die van de echtgenoot. Of er al dan niet sprake is van “controle” moet worden beoordeeld conform art. 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
De minister heeft hierbij verduidelijkt dat indien er controle wordt uitgeoefend met een derde (gedurende bv. een bepaalde periode, wat een gangbare techniek is bij Private Equity overnames) er geen sprake kan zijn van interne meerwaarden. Daarnaast heeft de minister ook laten verstaan dat de controle in principe aanwezig moet zijn op het moment van de verkoop (onder voorbehoud van de toepassing van de antimisbruikbepaling).
2) 2e categorie: aanmerkelijk belang (“gunstregime”)
De tweede categorie van belastbare meerwaarden betreft de “aanmerkelijk belang” participaties (andere dan interne meerwaarden). Men spreekt van een “aanmerkelijk belang” indien de overdrager op het moment van de overdracht minstens 20% van de rechten in het kapitaal van de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen, aanhoudt (in kapitaalloze vennootschappen betreft het de rechten in het eigen vermogen van de vennootschap voor zover dit werd gevormd door inbrengen in geld of in natura, andere dan inbrengen in nijverheid). Het betreft bijgevolg enkel meerwaarden op aandelen en niet op bv. winstbewijzen. De 20% drempel wordt beoordeeld in hoofde van iedere belastingplichtige afzonderlijk.
De aanmerkelijk belang-meerwaarden zijn onderworpen aan gunstigere tarieven dan de andere twee categorieën (zie hieronder).
Ook omtrent de drempel van 20% heeft de minister intussen het e.e.a. verduidelijkt. Zo heeft de minister reeds laten verstaan dat indien de aandelen in het gemeenschappelijk vermogen zitten er een participatie van 40% moet worden aangehouden om onder de aanmerkelijkbelangregeling te vallen. Wat betreft aandelen onder titre et finance regeling (waarbij, onder bepaalde voorwaarden, de lidmaatschapsrechten (titre) eigen zijn aan de echtgenoot op wiens naam ze staan ingeschreven maar de vermogenswaarde (finance) toekomt aan de huwgemeenschap) heeft de minister aangegeven dat de 20% zal worden beoordeeld in hoofde van de belastingplichtige die de lidmaatschapsrechten in handen heeft. Het is bijgevolg enkel van belang op wiens naam de aandelen zijn ingeschreven waarbij er geen rekening wordt gehouden met het feit dat de vermogenswaarde van de aandelen op grond van het huwelijksvermogensrecht tot het gemeenschappelijk vermogen behoort. Worden de aandelen aangehouden in vruchtgebruik – blote eigendom, dan zal voor de beoordeling van de 20% grens worden gekeken naar de blote eigenaar.
3) 3e categorie: algemene restcategorie meerwaarden op financiële activa
De derde en laatste categorie betreft een restcategorie waaronder alle meerwaarden op financiële activa die niet belastbaar zijn onder de 1e en de 2de categorie begrepen worden.
Het begrip “financiële activa” moet ruim worden geïnterpreteerd. Het omvat o.m. effecten (aandelen, aandelencertificaten, obligaties,…), geldmarktinstrumenten, rechten in beleggingsfondsen (waaronder ETF’s), derivaten (opties, futures, swaps, termijncontracten,…) alsook verzekeringsovereenkomsten (tak 21, 22, 23, 26, 44), cryptoactiva, valuta (bankbiljetten, muntstukken, giraal of elektronisch geld wanneer dit niet wordt aangehouden op een betaalrekening) en beleggingsgoud.
Vooralsnog worden o.m. kunstwerken en juwelen niet gevat.
C. Wanneer is de nieuwe meerwaardebelasting verschuldigd?
De nieuwe meerwaardebelasting is verschuldigd bij een overdracht onder bezwarende titel van financiële activa die onder één van de drie categorieën vallen. Volgens de minister is er een overdracht “ten bezwarende titel” wanneer ze voor elke partij een voordeel oplevert. De verkoop/inbreng/ruil van financiële activa alsook de uitonverdeeldheidtreding zal in principe een overdracht ten bezwarende titel uitmaken (zie echter hierna voor een aantal uitzonderingen). Ook een inbreng in een maatschap valt binnen het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting in zoverre er daadwerkelijk een vermogensverschuiving plaatsvindt tussen de vennoten (en indien het niet gaat om een inbreng van aandelen).
Daarenboven worden in de nieuwe wettekst een aantal situaties gelijkgesteld met een overdracht onder bezwarende titel:
– De vereffening bij leven van kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten die onder het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting vallen;
– De vereffening bij leven van kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten die onder het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting vallen;
– De emigratie van een belastingplichtige uit België (de zogenaamde “exit-taks”). Bij emigratie uit België is de latente meerwaarde op het ogenblik van emigratie in principe belastbaar. Indien de belastingplichtige emigreert naar een land binnen de EER of naar een land waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in wederzijdse uitwisseling van informatie en invorderingsbijstand dan geldt automatisch een uitstel van betaling voor een periode van 2 jaar. Verhuist de belastingplichtige naar een ander land of verhuist de belastingplichtige binnen de 2 jaar van een EER land naar een ander land, dan moet hij zelf om het betalingsuitstel verzoeken en een zekerheid verstrekken. De belastingplichtige dient daarenboven jaarlijks een attest te bezorgen waarin hij o.m. dient te bevestigen dat de financiële activa niet onder bezwarende titel werden vervreemd. Bij een vervreemding na twee jaar is er geen meerwaardebelasting meer verschuldigd.
Een overdracht ten gevolge van een schenking of een erfenis is niet ten bezwarende titel en valt dus buiten het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting. Bij een latere overdracht ten bezwarende titel van de geschonken/geërfde financiële activa door de begiftigde/erfgenaam zal de eventuele meerwaarde uiteraard wel belastbaar zijn (waarbij voor de berekening van de meerwaarde rekening mag worden gehouden met de initiële aanschaffingswaarde door de schenker/erflater – zie verder). Volgens de minister is een inbreng door één echtgenoot in de huwgemeenschap evenmin een handeling onder bezwarende titel waardoor ook dat buiten het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting zou vallen.
De nieuwe meerwaardebelasting zal, zoals reeds gezegd, van toepassing zijn op meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026. Uitgestelde betaling van overdrachten gedaan vóór 1 januari 2026 worden volgens de minister in principe niet gevat (ongeacht wanneer de betaling van de prijs finaal gebeurt en enkel in zoverre de prijs bepaald is/vaststaat).
D. Welk tarief is er van toepassing?
Het toepasselijk tarief verschilt per categorie van meerwaarden:
– Meerwaarden die vallen onder de 1e categorie (de zogenaamde “interne meerwaarden”) zullen belast worden aan een tarief van 33%.
– Meerwaarden die vallen onder de 2de categorie (de zogenaamde “aanmerkelijk belang-meerwaarden”) kunnen genieten van een gunstiger progressief tarief met een vrijstelling per belastingplichtige van de eerste schijf van 1 miljoen euro aan meerwaarden. Het bedrag van deze vrijstelling is slechts beschikbaar per periode van vijf opeenvolgende jaren (bedragen worden niet geïndexeerd).
Eerste schijf van 1 miljoen euro -> Vrijgesteld (bedrag beschikbaar per periode van 5 opeenvolgende jaren)
1 miljoen euro – 2,5 miljoen euro -> 1,25%
2,5 miljoen euro – 5 miljoen euro -> 2,5%
5 miljoen euro – 10 miljoen euro -> 5%
Vanaf 10 miljoen euro -> 10%
In uitzondering op het bovenstaande geldt bij een overdracht van een aanmerkelijk belang aan een entiteit die buiten de EER is gevestigd een tarief van 16,5% op het volledige gedeelte van de meerwaarde boven de eerste vrijgestelde schijf van 1 miljoen euro.
– Meerwaarden die vallen onder de algemene restcategorie zullen belast worden aan een tarief van 10% met een jaarlijkse vrijstelling per belastingplichtige van de eerste schijf van € 10.000 aan meerwaarden (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027). De vrijstelling van € 10.000 is beperkt overdraagbaar. In de mate de eerste schijf van € 1.000 (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027) niet gebruikt is in een bepaald jaar, kan dit worden overgedragen naar het volgend jaar waarbij het totale overgedragen bedrag nooit meer kan bedragen dan € 5.000 (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027). Echtgenoten maken ieder afzonderlijk aanspraak op voormelde vrijstelling.
E. Wat is de grondslag voor de meerwaardebelasting?
In principe is de belastbare meerwaarde gelijk aan het positieve verschil tussen de prijs of waarde die wordt ontvangen voor de overgedragen financiële activa enerzijds en de aanschaffingswaarde anderzijds. Eventuele kosten die zouden zijn gemaakt (al dan niet bij de overdracht) zijn niet aftrekbaar. Minwaarden zijn wel aftrekbaar, doch enkel in het jaar van realisatie en enkel van meerwaarden binnen dezelfde categorie. Een minwaarde op financiële activa van de 3de categorie kan dus niet worden afgezet tegen een meerwaarde op financiële activa van de 1e of 2de categorie.
Onder aanschaffingswaarde wordt begrepen de prijs of waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger de financiële activa onder bezwarende titel heeft verkregen. Indien bijgevolg de erfgenaam of begiftigde een geërfd dan wel geschonken financieel actief verkoopt, dan zal hij moeten aantonen tegen welke prijs de erflater dan wel de schenker dit actief ten bezwarende titel heeft verworven. Bij de verkoop van een deel van identieke financiële activa, worden de eerst aangekochte activa geacht als eerst te zijn verkocht (FIFO-methode).
Er is voorzien in specifieke regels voor o.m. de bepaling van de belastbare meerwaarde voor optieplannen en levensverzekeringsovereenkomsten die gevat worden door de wet. Voor belastingplichtigen die naar België immigreren, geldt een step-up regeling waarbij de aanschaffingswaarde van de activa gelijk wordt gesteld aan de waarde op de eerste dag dat de belastingplichtige onderworpen is aan de Belgische personenbelasting. Indien de immigratie plaatsvindt binnen de twee jaar na een emigratie uit België, wordt de aanschaffingswaarde bepaald alsof de belastingplichtige niet was geëmigreerd (in dat geval mag het bedrag van de aanschaffingswaarde wel vermeerderd worden met het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor een effectieve heffing van een buitenlandse meerwaardebelasting).
Voor financiële activa verkregen vóór 1 januari 2026 geldt een vrijstelling van de historische meerwaarde. Dit houdt in dat voor de berekening van de belastbare meerwaarde de waarde per 31 december 2025 (het “foto-moment”) in rekening wordt genomen en enkel de meerwaarde tussen 1 januari 2026 en het moment van de overdracht belastbaar is. Hierbij is het uiteraard wel van belang dat de belastingplichtige kan aantonen dat de activa werden verkregen vóór 1 januari 2026 (door hemzelf dan wel door zijn rechtsvoorganger) en wat de waarde was van deze activa op 31 december 2025. Voor beursgenoteerde financiële activa zal de laatste slotkoers van 2025 worden weerhouden. Voor niet-beursgenoteerde financiële activa mag de hoogste van volgende waardes worden gehanteerd:
– De waarde gehanteerd bij een overdracht onder bezwarende titel van dezelfde financiële activa tussen volstrekt onafhankelijke partijen in 2025, of n.a.v. de laatste kapitaalverhoging of van de oprichting van de vennootschap die plaatsvond in 2025;
– De waarde die het resultaat is van de toepassing van een waarderingsformule vastgesteld in een contract of in een contractueel aanbod van verkoopoptie met betrekking tot deze financiële activa dat in werking is op 1 januari 2026 (bv. een aandeelhoudersovereenkomst);
– Specifiek voor aandelen en met aandelen gelijkgestelde instrumenten mag ook worden uitgegaan van het eigen vermogen verhoogd met vier keer de EBITDA van het laatste boekjaar afgesloten vóór 1 januari 2026;
– De waarde van niet-beursgenoteerde aandelen en met aandelen gelijkgestelde instrumenten (alsook andere financiële activa waarbij de hierboven opgesomde methodes niet van toepassing zijn), kan ook worden vastgesteld door een bedrijfsrevisor of een gecertificeerd accountant (die niet de gebruikelijke dienstverlener mag zijn van de belastingplichtige) en dit uiterlijk op 31 december 2027. Het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (“IBR”) en de Institute for Tax Advisors & Accountants (“ITAA”) werken momenteel aan een toelichting van de deontologische principes die op deze opdracht van toepassing zullen zijn alsook aan de opmaak van een technische nota. De fiscus kan de waardering door de revisor/accountant betwisten indien er bv. aanwijzingen zijn dat de waardering niet martkconform is. De minister heeft laten verstaan dat dit slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal gebeuren.
In het geval de werkelijke aanschaffingswaarde hoger zou liggen dan de waarde per 31 december 2025 kan deze werkelijke aanschaffingswaarde in aanmerking worden genomen, doch enkel voor overdrachten tot en met 31 december 2030.
F. Vrijstellingen voor bepaalde financiële activa of verrichtingen
In de wettekst worden bepaalde financiële activa of verrichtingen vrijgesteld van de nieuwe meerwaardebelasting.
Zo wordt bv. voorzien in een vrijstelling voor meerwaarden op aandelen of deelbewijzen in beleggingsvennootschappen of gemeenschappelijke beleggingsfondsen (die een instelling voor collectieve belegging zijn) voor zover deze worden verwezenlijkt n.a.v. bepaalde reorganisaties van deze fondsen (bv. fusie, splitsing,…). Ook de meerwaarden op verzekeringen van de tweede en derde pensioenpijler waarop de belastingvermindering voor langetermijnsparen van toepassing is, worden vrijgesteld.
Daarnaast bevat de wet een aantal specifieke vrijstellingen teneinde dubbele belasting te voorkomen. Zo worden meerwaarden die reeds belastbaar zijn als roerend inkomen of beroepsinkomen of onderworpen zijn aan de taks op het langetermijnsparen vrijgesteld. Men denke hier bv. aan meerwaarden op fondsen die voor meer dan 10% beleggen in schuldvorderingen die reeds belast worden als intrest onder de zogenaamde Reynders-taks (merk hierbij op dat het gedeelte van de meerwaarde dat niet wordt belast als intrest onder de Reynders-taks wel gewoon onderworpen is aan de nieuwe meerwaardebelasting), meerwaarden die onderworpen zijn aan het specifiek belastingregime voor carried interest,…
De voor de planningspraktijk allicht belangrijkste vrijstellingen betreffen de vrijstelling van de meerwaarden gerealiseerd bij een inbreng van aandelen in een vennootschap en de vrijstelling van meerwaarden n.a.v. een uitonverdeeldheidtreding die voortvloeit uit een overlijden, een echtscheiding en het einde van een wettelijke dan wel feitelijke samenwoning. Wat de vrijstelling van meerwaarden gerealiseerd bij een inbreng van aandelen betreft, wordt dit strikt toegepast en geldt dit enkel voor de inbreng van aandelen en bv. niet voor de inbreng van obligaties. In de memorie van toelichting werd bevestigd dat deze vrijstelling ook geldt voor een inbreng van aandelen in een maatschap (daar de maatschap, hoewel het een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid is, wel een afgescheiden vermogen heeft). Wat de vrijstelling van uitonverdeeldheidtredingen ten gevolge van een overlijden, een echtscheiding of beëindiging van een wettelijke dan wel feitelijke samenwoning betreft, worden de meerwaarden enkel vrijgesteld indien de uitonverdeeldheidtreding plaatsvindt binnen een periode van 3 jaar. In dit verband heeft de minister verduidelijkt dat ook in de hypothese van een schenking in onverdeeldheid waarbij de begiftigden vervolgens binnen de drie jaar na het overlijden van de schenker uit onverdeeldheid treden, voormelde vrijstelling van toepassing is.
G. Hoe wordt de nieuwe meerwaardebelasting geïnd?
De inning van de nieuwe meerwaardebelasting gebeurt hetzij aan de bron, hetzij via de belastingaangifte.
1) Meerwaarden op financiële instrumenten en verzekeringsovereenkomsten aangehouden in België: in principe bevrijdende roerende voorheffing (“opt-in”) tenzij expliciet gekozen voor “opt-out”
Wat betreft meerwaarden op financiële instrumenten (zoals bedoeld in artikel 2, 1° a) tot k) van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten (zo o.m. aandelen, obligaties en andere schuldinstrumenten die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging, geldmarktinstrumenten, financiële futures, rentetermijncontracten, rente- en valutaswaps, equity-swaps, valuta- en renteopties)) en verzekeringsovereenkomsten aangehouden via een tussenpersoon in België, zal de heffing van 10% in principe rechtstreeks worden afgehouden door de Belgische tussenpersoon (bankinstelling, verzekeringsinstelling,…), tenzij de belastingplichtige kiest voor een opt-out (zie hierna). De belastingplichtige hoeft dan zelf verder niets aan te geven waardoor hij nog een vorm van anonimiteit behoudt. Wel is het zo dat de eventuele minderwaarden of de vrijstelling van de eerste schijf van € 10.000 (maximaal € 15.000) dan niet worden verrekend door de tussenpersoon. De belastingplichtige zal, indien gewenst, de toepassing daarvan zelf moeten vragen in zijn belastingaangifte (waarbij het niet de bedoeling is dat alle gerealiseerde meerwaarden worden aangegeven, doch enkel degene waarvoor de vrijstelling/correctie wordt gevraagd). Ook de toepassing van een hogere aanschaffingswaarde zal moeten worden gevraagd in de belastingaangifte zelf.
Teneinde de financiële tussenpersonen de kans te geven om alle nodige aanpassingen te doen, werd in de wettekst voorzien in een overgangsperiode. De bevrijdende roerende voorheffing zal moeten worden ingehouden op meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 juni 2026 (tenzij de belastingplichtige heeft gekozen voor een “opt-out” – zie hierna). Wat betreft meerwaarden gerealiseerd tussen 1 januari 2026 en 31 mei 2026 geldt er in principe een wettelijk vermoeden van “opt-out” (waarbij de belastingplichtige de meerwaarden zelf moet aangeven in zijn belastingaangifte) tenzij hij expliciet kiest voor een retroactieve bronbelasting waarbij de meerwaardebelasting wordt doorgestort door de financiële tussenpersoon. De belastingplichtige moet zijn keuze bekendmaken aan de financiële tussenpersoon ten laatste op 31 augustus 2026 (hoewel verschillende tussenpersonen in de praktijk al eerder de vraag zullen stellen). De financiële tussenpersoon zelf heeft dan tijd om de meerwaarden gerealiseerd tussen 1 januari 2026 en 30 juni 2026 door te storten ten laatste op 30 november 2026.
De belastingplichtige kan er ook voor opteren om de meerwaarden op financiële instrumenten en verzekeringsovereenkomsten zelf aan te geven (“opt-out”) hetgeen als voordeel heeft dat hij de belasting pas later zal moeten betalen en het geld intussen verder kan beleggen. De financiële tussenpersoon zal in dat geval de fiscus op de hoogte brengen van de opt-out en een overzicht bezorgen van alle belastbare meerwaarden. De keuze van opt-out geldt voor het hele inkomstenjaar en kan wat betreft inkomstenjaar 2026 worden gemaakt tot ten laatste 31 augustus 2026. Allicht zullen belastingplichtigen in de praktijk reeds vóór 1 juni 2026 (zijnde de datum vanaf dewelke de bevrijdende roerende voorheffing zal dienen te worden ingehouden) worden gevraagd hun keuze kenbaar te maken. Merk hierbij wel op dat indien de belastingplichtige een effectenportefeuille aanhoudt met andere titularissen, alle titularissen moeten kiezen voor een opt-out.
Wat betreft de meerwaarden op verzekeringsproducten, geldt het wettelijk vermoeden van opt-out voor meerwaarden verwezenlijkt tot en met 31 augustus 2026. Indien de belastingplichtige ook voor die periode de toepassing van de bevrijdende roerende voorheffing wenst, zal hij hierom moeten verzoeken.
2) In alle andere gevallen: aangifteplicht
In alle andere gevallen (alsook in geval van een opt-out), dient de belastingplichtige de belastbare meerwaarden zelf aan te geven in zijn belastingaangifte. Dit geldt o.m. in geval van interne meerwaarden, aanmerkelijk-belang meerwaarden (die in de meeste gevallen niet zullen worden aangehouden middels een financieel tussenpersoon), wisselkoersmeerwaarden op termijnrekeningen, meerwaarden op activa aangehouden in het buitenland, meerwaarden op goudstaven en crypto-activa enz.
Er werd gevreesd dat de aangifteplicht van meerwaarden verwezenlijkt op bv. crypto-activa (en andere meer speculatieve financiële producten) massaal zal leiden tot belastingen op grond van abnormaal beheer. De minister heeft getracht de gemoederen wat te bedaren door eraan te herinneren dat het uitgangspunt van het nieuwe stelsel een heffing van 10% is, ook voor crypto-activa en dat een belasting van 33% wegens abnormaal beheer slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegepast (waarbij het een combinatie van factoren is, en niet slechts één factor die kan leiden tot een belasting aan 33%). Of dit in de praktijk ook zo zal worden toegepast door de fiscus, valt nog af te wachten.
***
De wet die de meerwaardebelasting invoert is nu eindelijk echt van kracht. Ondanks de verduidelijkingen van de minister belooft de praktische toepassing van de nieuwe meerwaardebelasting bijzonder complex te worden hetgeen allicht zal leiden tot veel (rechts)onzekerheid bij belastingplichtigen. Bij vragen staan wij graag tot uw beschikking.
Elen Miskaryan (miskaryan@deknudtnelis.be)
Sven Nelis (nelis@deknudtnelis.be)