Overlijden binnen 5 jaar na belastingvrije schenking en toch geen erfbelasting: het kan!

Zoals u weet is de risicotermijn bij niet-geregistreerde schenkingen (van roerend goed) van 3 jaar recentelijk (in de drie Gewesten) opgetrokken naar 5 jaar. Dit betekent dat bij een overlijden van de schenker binnen die 5 jaar alsnog successierechten verschuldigd kunnen zijn.

Het verschil in tarifering is daarbij niet mals. Zo is er in het Vlaams Gewest bijvoorbeeld in de rechte lijn een verschil tussen 3% schenkbelasting versus (boven de 250.000 EUR per hoofd) 27% erfbelasting.

Nochtans kan dit risico bij de schenking van gemeenschappelijk vermogen ernstig worden gereduceerd.

Indien met name gemeenschappelijk vermogen wordt geschonken en de langstlevende van de schenkers oefent een (per hypothese in het huwelijkscontract voorzien) keuzebeding op accurate manier uit, dan kan de vijfjaarstermijn uitsluitend betrokken worden op het hoofd van de langstlevende van de schenkers. Dit houdt in dat het risico in dat geval niet meer afhangt van het overlijden van elke schenker binnen de 5 jaar na de schenking (elk voor de helft) maar dat integendeel er enkel nog erfbelasting zal zijn als beide schenkers komen te overlijden binnen de 5 jaar vanaf de datum van de schenking.

Het reële risico dat u in dit geval alsnog erfbelasting zal moeten voldoen, wordt op die manier wezenlijk kleiner.

De juridische onderbouw om dit standpunt op fiscaal gebied te kunnen innemen, moet worden teruggebracht tot het arrest van het Hof van Cassatie van 7 december 2020 (hier te raadplegen). Uit dit arrest volgt immers dat de langstlevende die het volledige gemeenschappelijk vermogen bekomt evenzeer moet geacht worden als enige te hebben geschonken. Vermits de fiscale wet hier niet in een afwijking van het civiele recht voorziet, moet dit ook op fiscaal gebied worden doorgetrokken.

Voorlopig is er nog geen signaal vanwege de belastingadministratie dat deze leer zomaar wordt gevolgd, maar het lijkt ons juridisch-technisch voor de fiscus niet evident om hier niet in mee te gaan. Ook de toepassing van de antimisbruikbepaling zal voor de fiscus niet evident zijn, daar er veelal civielrechtelijke overwegingen aan de basis zullen liggen (erfrechtelijke verrekening van de schenkingen exclusief in de nalatenschap van de langstlevende van de schenkers).

Het voorgaande betekent concreet dat er:

– bij de planning voldoende aandacht moet worden besteed aan de schenking én de huwelijksvermogensrechtelijke keuzemogelijkheden;
– bij het overlijden van de eerststervende van de echtgenoten voldoende aandacht moet zijn om de juiste keuzes te maken – door het maken van de juiste keuze kan post mortem immers alsnog erfbelasting worden vermeden;
– bij weerbarstigheid van de fiscus goede kansen zijn om de erfbelasting/successierechten alsnog te recupereren;
– ten slotte, indien er werd gekozen om de schenking volledig te betrekken op de langstlevende, bij een dreigend overlijden van die langstlevende binnen de 5 jaar alsnog kan geregistreerd worden op de gehele schenking.

Ter afsluiting nog dit: de fiscale consequenties ingevolge de leer van voormeld arrest van het Hof van Cassatie strekken zich niet enkel uit tot de vijfjaarstermijn bij schenkingen, maar ook andere rechtshandelingen (bv. de gesplitste aankoop) worden erdoor geïmpacteerd.

Voor wie meer wil weten: DEKNUDT G. en LEFEVER M., “Cassatie 7 december 2020: enkele fiscale bedenkingen” in BALLEGEER F., CEUSTERMANS T., DE CLERCQ M. e.a. (eds.), Notariële actualiteit 2025. Verslagboek van de vormingsdagen van de Studiekring Provinciaal Genootschap der Notarissen van Oost-Vlaanderen, die Keure, 2026, 117-149.

Guillaume Deknudt (deknudt@deknudtnelis.be)