Vergoeding bij echtscheiding voor beroepsinkomsten via eigen vennootschap: wijkt Grondwettelijk Hof af van gekende principes?

Op 5 maart 2026 heeft het Grondwettelijk Hof een belangwekkend arrest (25/2026) gewezen over de behandeling van de meerwaarde van aandelen van een eigen vennootschap binnen het wettelijk stelsel, althans voor zover deze meerwaarde het gevolg is van de beroepsactiviteit van de echtgenoot of echtgenoten.

De feiten

Een geschil tussen twee ex-echtgenoten (gescheiden in 2022) die gehuwd waren in 2002 onder het wettelijk stelsel, lag aan de basis van dit arrest.

Kort na het huwelijk richtte de man een vennootschap op met eigen middelen. Beide echtgenoten werkten vervolgens voltijds voor deze vennootschap en ontvingen een gelijke maandelijkse vergoeding. Later werd via deze vennootschap een naamloze vennootschap overgenomen dewelke een rusthuis uitbaatte, wat enkel mogelijk was dankzij het kwalificerende diploma van de echtgenote. Deze laatste vennootschap werd nog tijdens het huwelijk verkocht met een mooie meerwaarde.

Na de echtscheiding ontstond in het kader van de vereffening-verdeling discussie of de waardestijging van de aandelen van de BV (voormelde vennootschap van de man) tot het eigen vermogen van de echtgenoot-aandeelhouder behoorde dan wel (gedeeltelijk) tot de huwgemeenschap.

De familierechtbank van Namen legde hierover meerdere prejudiciële vragen voor aan het Grondwettelijk Hof.

Het oordeel van het Grondwettelijk Hof

Het Hof bevestigt vooreerst dat aandelen die met eigen middelen werden verworven, eigen blijven, inclusief hun waardestijging. Dit is op zich niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Het statuut van de goederen, hier eigen aandelen, dient dus te worden gerespecteerd, ook voor wat betreft de meerwaarde.

Maar het Hof benadrukt tegelijkertijd dat het wettelijk stelsel berust op het principe dat inkomsten uit beroepsactiviteiten gemeenschappelijk zijn. Belangrijk is dat het Hof uitdrukkelijk stelt dat dit een fundamenteel kenmerk betreft van het wettelijk stelsel, waarvan de echtgenoten niet kunnen afwijken: “Het zou niet aanvaardbaar zijn dat in een dergelijk stelsel de betrokken echtgenoot die zijn beroep uitoefent in het kader van een vennootschap waarvan de aandelen hem volledig eigen zijn, het gemeenschappelijk vermogen de inkomsten uit zijn beroepsactiviteit deels of volledig ontzegt.”

Het Hof verwijst daarbij naar het vergoedingsmechanisme voorzien in artikel 1432 oud BW, zoals aangevuld met een tweede lid ingevolge de wet van 22 juli 2018 (thans art. 2.3.44 eerste en tweede lid BW). In dit tweede lid werd een specifieke vergoedingsgrond ingevoerd voor de netto beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen “redelijkerwijze” had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen een eigen vennootschap was uitgeoefend (in principe is dit tweede lid van toepassing voor bestuurshandelingen vanaf 1 september 2018).

Het Hof oordeelt dat er derhalve geen schending van het gelijkheidsbeginsel voorligt.

Waar het Hof ingaat op artikel 1432, eerste lid oud BW oordeelt het Hof dat: “in het wettelijk stelsel, de verrijking van het eigen vermogen door de inspanningen van een echtgenoot in het kader van een beroepsrelatie, die bijgevolg gepaard gaat met een verarming van het gemeenschappelijk vermogen, aanleiding moet geven tot een vergoeding”.

Waar het Hof ingaat op voormeld toegevoegde tweede lid van artikel 1432 oud BW, oordeelt het Hof als volgt: “Daaruit volgt dat, in de situatie die in de prejudiciële vraag wordt aangevoerd, het eigen vermogen van de echtgenoot die houder is van de aandelen van de vennootschap aan de hand waarvan hij zijn beroepsactiviteit uitoefent aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd is die gelijk is aan het bedrag waarmee het gemeenschappelijk vermogen is verarmd, dat wil zeggen gelijk aan het bedrag van de inkomsten die het gemeenschappelijk vermogen zou hebben ontvangen indien de beroepsactiviteit niet in het kader van een vennootschap was uitgeoefend. Die vergoeding omvat in principe de meerwaarde die door de aandelen van de vennootschap is verkregen dankzij, hoofdzakelijk, de beroepsactiviteit van de aandeelhoudende echtgenoot tijdens het huwelijk en, a fortiori, de meerwaarde die toe te schrijven is aan de beroepsactiviteit van de andere echtgenoot.”

Ten slotte oordeelt het Hof ook nog dat het redelijk verantwoord is dat, indien de vennootschap eigen is aan een echtgenoot, een verarming van het gemeenschappelijk vermogen moet worden aangetoond opdat aan die laatste een vergoeding verschuldigd zou zijn, ook al is dat niet het geval indien de aandelen gemeenschappelijk zijn.

Opmerkelijke elementen in het arrest

Een aantal zaken zijn toch opmerkelijk in het arrest.

Ten eerste wordt duidelijk gesteld dat van het principe dat in het wettelijk stelsel de beroepsinkomsten (minstens via een vergoeding) aan beide echtgenoten moeten toekomen niet kan worden afgeweken. De stellingname in bepaalde rechtsleer dat na de invoering van voormeld tweede lid aan artikel 1432 oud BW (thans art. 2.3.44, tweede lid BW), van die regel zou kunnen worden afgeweken in het huwelijkscontract, lijkt dan ook niet langer houdbaar. Indien men ervoor kiest om te huwen onder het wettelijk stelsel, dan heeft dit zijn onafwendbare gevolgen.

Ten tweede lijkt het arrest ook aan te geven dat het voormelde tweede lid van artikel 1432 oud BW, nochtans pas ingevoerd bij de wet van 2018, ook voor de periode ervoor in acht moet worden genomen bij de beoordeling van de toekenning van een vergoedingsrekening. Het Hof geeft althans niet aan dat er een cesuur zou zijn in het kader van de invulling van de vergoedingsrekening voor of na 1 september 2018. Integendeel, waar het Hof het heeft over dit tweede lid staat er letterlijk ‘in de situatie die in de prejudiciële vraag wordt aangevoerd’, terwijl het voorliggend geval vooral betrekking heeft op de periode voor september 2018.

Ten derde stelt het Hof dat de vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen in principe de meerwaarde omvat die door de aandelen van de vennootschap is verkregen dankzij de beroepsactiviteit binnen de vennootschap. Dit doet vragen rijzen naar de toepassing van het begrip “redelijkerwijze” (zie supra) in het tweede lid van artikel 2.3.44 BW. In de parlementaire voorbereiding (waar het Hof overigens naar refereert) staat immers het volgende te lezen: “Daarbij mag de echtgenoot verweerder dus ook inroepen dat er binnen zijn vennootschap bedrijfseconomische redenen waren, die (eventueel minstens voor bepaalde periodes) verantwoordden dat er niet meer werd uitgekeerd dan wat de gemeenschap daadwerkelijk heeft ontvangen.” Bedrijfseconomisch zal het misschien nodig zijn niet uit te keren, hetgeen nochtans toch tot een meerwaarde (en bijgevolg vergoedingsplicht?) kan leiden…

Ten vierde doet het arrest ook vragen rijzen naar de precieze aflijning van de vergoeding. Enerzijds gaat het over ‘inkomsten die het gemeenschappelijk vermogen zou hebben ontvangen indien de beroepsactiviteit niet in het kader van een vennootschap was uitgeoefend’. Dit zijn dus de beroepsinkomsten zelf, maar wellicht ook de gespaarde inkomsten op deze beroepsinkomsten. Anderzijds stelt het Hof dat de vergoeding gelijk is aan: ‘in principe de meerwaarde die door de aandelen van de vennootschap is verkregen dankzij, hoofdzakelijk, de beroepsactiviteit’. De grens tussen de beroepsgerelateerde meerwaarde en de niet-beroepsgerelateerde meerwaarde binnen een vennootschap is dus op die manier vrij vaag. In elk geval zal het geen sinecure zijn om deze vergoeding in elk concreet geval exact te begroten. Wat bijvoorbeeld te denken ook van een voorhuwelijkse vennootschap waar na het huwelijk het beroep verder wordt in uitgeoefend en waarbij deze vennootschap al bepaalde activa had die dateren van voor het huwelijk?

Het valt af te wachten hoe de rechtspraak met dit arrest zal omgaan bij de invulling van de concrete vergoeding.

Conclusie

Elke ondernemer die huwt onder het wettelijk stelsel (of een gemeenschapsstelsel) zal niet zomaar zijn beroepsinkomsten kunnen behouden, ook al oefent hij zijn beroep uit via een eigen vennootschap.

De aandelen van de vennootschap zelf zullen dan wel integraal tot zijn eigen vermogen blijven behoren. Vermogensrechtelijk zal er op het einde van de rit – in casu bij een echtscheiding, maar idem bij een overlijden – toch nog een verrekening moeten gebeuren.

Het Grondwettelijk Hof lijkt deze verrekening ruim in te vullen.

Wie dit niet wil, zal dus beter andere opties bekijken.

Annelies Maeckelbergh (maeckelbergh@deknudtnelis.be)
Guillaume Deknudt (deknudt@deknudtnelis.be)